Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

domuien met Denemarken vastgehouden. Xu had de Deensche regeeriug, door haar verklaring van 17 Mei, die verbinding in den eenigen onder de bestaande omstandigheden aanuemelijken vorm onmogelijk gemaakt. Oostenrijk moest die wel laten vallen. Maar wat nu? Aan Pruisen de hertogdommen over te laten, kwam natuurlijk bij geen enkel Oosteurijker op, en hetzelfde gold van een verheffing van Au gust en burg, zoo deze zich nauw aan Pruisen verbond. Doch als deze zonder eenige beperking hertog werd, zou hij van zelf tegen den overmachtigen Pruisischen nabuur bij Oostenrijk bescherming moeten zoeken en de Groot-Duitsche partij in Noord-Duitschland aanzienlijk versterken. Dus was dit de eenige voor Oostenrijk aanneembare uitkomst, nu alle kans op behoud der verbinding met Denemarken verloren was Het eenige bezwaar was, dat dit een algeheelen ommekeer in de Oostenrijksche politiek en tevens een breuk met Pruisen moest ten gevolge hebben. Voor Rechberg was het tevens het opgeven van de politiek, die hij tegenover Schmerling had doorgedreven, dus in zekeren zin een nederlaag. Eveuwel, hij berustte daarin en ook de keizer, dien hij, schijnt het, zonder moeite overhaalde, zich op dit nieuwe standpunt te stellen. Te eerder, waarschijnlijk, omdat de verheffing van Augustenburg ouder beperkende voorwaarden niet overeen te brengen was met den geest der Bondsacte, zooal met de letter, daar volgens deze alle leden van den Bond volkomen souverein waren. Daarenboven werd door dezen ommekeer op eens de verbinding met de middeustaten gewonnen en stelde zich Oostenrijk op nieuw, even als in 1863, aan het hoofd der Duitsche beweging. Zoo kwam het dat op den 28aten Mei de vertegenwoordigers der beide groote Duitsche mogendheden gemeenschappelijk met dien van den Bond het voorstel deden Augustenburg tot hertog te kiezen. Ongelukkig bedoelden beide

daarmede niet hetzelfde.

Alvorens de Oostenrijksche gevolmachtigden, door hun aansluiting aan Pruisen en den Bond, dezen ommekeer der Oostenrijksche staatkunde wereldkundig maakten, zorgde Rechberg voor een waarborg, dat zijn candidaat zich niet door een bijzondere overeenkomst met Pruisen verbond. Twee dagen te voren, den 26Bto\ ontbood hij den vertegenwoordiger van den erfprins te YVeeneii bij zich, en deelde hem mede dat de keizer bereid was den prins tot hertog van Sleeswijk-Holstein te maken, op voorwaarde dat deze niet in een afzonderlijk verdrag eenig souverein recht aan Pruisen afstond.

Sluiten