Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

des volks) i» Pruisen een afschuw, nog meer van een met de overige Duitsche staten, maar Sleeswijk-Holstein opgeven, nu men het bezat, dat scheen velen ongeoorloofd, daar kwam de Pruisische trots tegen

in verzet. _

Aan terugwijken dus kon koning Willem niet denken. Maar luj gaf daarom niet dadelijk toe, dat een oorlog onvermijdelijk was. Hij liet de onderhandeling met Oostenrijk voortzetten. Van Augustenburg, die in deze dagen formeel weigerde aan het verlangen des konings dat hij Holstein zou verlaten, te voldoen, wilde hij niets meer weten. Maar wel wilde hij een andere candidatuur beproeven. In Juni sloeg Bismarck die van den hertog van Oldeuburg voor, maar op voorwaarde dat Oostenrijk toestemde, dat Augustenburg uit Holstein werd gejaagd en dat de agitatie voor hem ophield. Doch dit alles mocht tot nieuwe besprekingen, tot tijdelijke toenadering leiden, aan de hoofdzaak veranderde het niet veel. Want in Holstein nam de beweging voor Augustenburg bedenkelijke vormen aan, en elke poging om daartegen op te treden"werd verijdeld door Halbhubers weigering er aan deel te nemen. Alleen kon de Pruisische commissaris niets doen. En daar een voorslag tot persoonlijke bespreking tusschen de vorsten vooreerst in Oostenrijk niet scheen te worden aangenomen, kreeg de toestand in Juli een zeer dreigend aanzien. In Pruisen besloot men tot het zenden van een ultimatum. Daarbij werd elke voortzetting der onderhandeling geweigerd, zoolang de beweging voor Augustenburg voortduurde. Werkte Oostenrijk mede om die te beletten, dan verklaarde Pruisen zich bereid tot ouderhandeling over de candidatuur van Oldeuburg, zoo niet, dan zou het zelfstandig in de hertogdommen optreden.

De koning ging daarop als elk jaar, na een verblijf te Karlsbad, naar Gasteiu, waarheen Bismarck hem vergezelde. Onder weg werd te Regeusburg eeu Pruisische ministerraad gehouden, om den verderen loop der zaken te bespreken, en met name de financiën, voor het geval van eeu oorlog.

Sohmeriing's Terwijl men in Pruisen zich tot den oorlog voorbereidde, was in VdenEOostenaD Oostenrijk de binuenlandsche toestand zoo geworden, dat er bijna geen njkschen con- sprake van kon zijn, dat de monarchie onder die omstandigheden een

stitutioneelen "

eenheidsstaat, oorlog kon voeren.

In den zomer van 1864, in den tijd toen de Londensche conferentie

haar vruchteloozen arbeid staakte, was in Hongarije de adres-partij

Sluiten