Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het westelijke leger, als het sterkste, werd gelast om met de grootste snelheid vooruit te trekken. Prins Friedrich Carl voerde dezen last met moed en veerkracht uit. Hij wierp de Oostenrijkers en Saksers over het riviertje de Iser terug, na een hevig nachtelijk gevecht bij Podol. Vervolgens trok hij naar Gitchin voort waar het vijandelijk leger hem in een sterke stelling afwachtte. In den namiddag van 29 Juni begon hier een verwoed gevecht dat, door de overmacht der Oostenrijkers en de voortreffelijkheid hunner artillerie, aanvankelijk aan de Pruisische troepen een slechten uitslag scheen te voorspellen. In het midden van den strijd echter ontving de kroonprins van Saksen bevel, van Beuedek, om terug te trekken, daar tengevolge van den opmarsch van het leger van den kroonprins van Pruisen zijne plannen geheel gewijzigd waren en het noodig was alle legerkrachten op een meer achterwaarts gelegen punt te vereenigen. Deze terugtocht gaf den Pruisen gelegenheid om den wijkenden vijand krachtig aan te tasten. Doordien de bevelen tot den aftocht niet aan alle troepenafdeelingen konden worden gegeven, althans niet te gelijkertijd, ontstond er spoedig verwarring. Terwijl de Oostenrijksche generaal Clam Gallas nog met zijne officieren te Gitchin, waar het hoofdkwartier was, zat te beraadslagen, rukte reeds een Pruisisch bataillon de stad binnen. Wel gelukte het den Saksers deze soldaten weder uit de stad te verdrijven, maar zij moesten haar welhaast ruimen toen grootere Pruisische legerafdeelingen zich vertoonden. De Oostenrijksche troepen, die reeds hunne bivouaks hadden betrokken buiten de stad, ontstelden bij het vernemen van de inname van Gitchin door de Pruisen zoozeer, dat zij dadelijk hunne legerplaatsen verlieten en tot standhouden niet te bewegen waren. Hun terugtocht werd spoedig een onordelijke vlucht, die door de vervolging der Pruisische ruiterij een nog ernstiger karakter kreeg. Toen zij te Miletin bij hunne daar gelegerde strijdmakkers aankwamen, waren zij in een geheel ontredderden toestand en ongeschikt om in de volgende dagen dienst te doen. Bij deze eerste

ontmoetingen waren de verliezen der Oostenrijkers reeds naar verhouding

buitengewoon groot geweest. De Oostenrijksche officieren hadden in den Italiaanschen oorlog van 1859 de onstuimige bajonetaanvallen der Fransche soldaten, voornamelijk der Zouaven, herhaaldelijk met schitterenden uitslag bekroond gezien en deze wijze van strijden als voorbeeld genomen. Zij hadden — zooals wij reeds zagen — in den Deenschen veldtocht hiervan de goede gevolgen kunnen waarnemen.

Sluiten