Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Oostenrijkse vestingen aan den Mincio, den bekenden vierhoek, ongemoeid laten, maar van het Zuiden over de Po in het Venetiaansche ge ie trekken verder de Oostenrijksche grenzen overschrijden en trachten in het hart van Oostenrijk zich met de Pruisen te vereenigen. De vrijwilligerscharen. die zich weder als voorheen onder de vaan van Garibaldi hadden verzameld, moesten naar den oostelijken oever der Adnatische Zee worden overgebracht en vandaar met behulp der uitgeweken revolutionaire Hongaren een opstand in Croatië en Hongarije zien te bewerken. Pruisen gaf de toezegging om de helft der onkosten voor eze laatste onderneming, anderhalf millioen franken, aan Italië terug te betalen. La Marmora wilde van deze plannen niets weten, hoewel Ricascoli die hein, toen hij Florence verliet om zich aan het hoofd van liet leger te stellen, als minister-president was opgevolgd, er wel ooren naar had. en eveneens Generaal Gialdini die het leger aan de o aan voerde Deze was van meening dat in elk geval de aanval in het Venetiaansche van de zuidzijde moest plaats hebben, terwijl U Marmora van de westzijde wilde aanvallen. Koning Victor Emmanuel wilde dit verschil tusschen zijne beide legeraanvoerders niet beslissen, maar plaatste Cialdini met acht divisies aan den Po en La Marmora met twaalf divisies aan den Mincio. Hij meende dit met gerustheid te kunnen doen, daar het Italiaansche leger het Oostenrijksche in NoordItalië, dat onder bevel van den Aartshertog Albrecht stond, in getalsterkte verre overtrof. De Oostenrijkers waren 82,000 man sterk, de Italianen 230,000, terwijl nog 35,000 vrijwilligers onder Garibaldi dienst hadden genomen. Deze laatsten werden naar de Noordelijke grenzen van het Venetiaansche gezonden, met het doel om in Tirol te dringen.

Aartshertog Albrecht had zijne legermacht aan deu linkeroever van de rivier de Etsch bijeengetrokken, waar hij ongeveer op gelijken afstand van het leger van La Marmora en van dat van Cialdini stond. Hier wachtte hij de bewegingen van deu vijand af. La Marmora trok den 238ten Juni over den Mincio. De koning en de kroonprins Humbert bevonden zich bij deze troepen. Zij waren in de vaste overtuiging dat de Oostenrijkers nog aan de overzijde van deu Etsch stonden, toen zij plotseling door den vijand werden aangevallen. La Marmora, die thans meende dat de hoofdmacht der Oostenrijkers tegen zijn rechtervleugel overstond en in deze veronderstelling zijne maatregelen nam, werd spoed i? gewaar dat in het Noorden het grootste gevaar dreigde, waar zijn linkervleugel geheel geslagen werd. De rechtervleugel hield in-

Sluiten