Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitslag der verkiezingen voor den President niet gunstig was. Meer dan twee derden der gekozenen behoorden tot zijne tegenstanders.

De vertegenwoordiging ging voort met wetten aan te nemen en die, tegen het veto van den President in, goed te keuren; de meerderheid van twee derden was bijna voor elke niet bekrachtigde wet te vinden. Maar dit was voor de tegenstanders van Johnson niet genoeg, zij wilden den gehaten man zelven treffen, niet tevreden met zijne macht te hebben gekortwiekt, wilden zij hem die, zoo mogelijk, geheel ontnemen. De grondwet gaf een middel aan de hand om dit te doen. Een president kon, op aanklacht van het Lagerhuis, „wegens verraad, omkooperij en andere groote misdaden en overtredingen, waaronder aanmatiging van macht en herhaalde schending van de wet", voor den Senaat worden terechtgesteld en zoo hij met twee derden der stemmen veroordeeld werd, van zijn hooge betrekking worden ontzet. Deze grondwettelijke bepaling werd thans voor het eerst sinds de vestiging van de republiek der Vereenigde Staten in toepassing gebracht op den President Johnson. Nadat hare toepasselijkheid van verschillende zijden in het Lagerhuis betoogd was werd dientengevolge een commissie benoemd om onderzoek te doen naar de feiten die tot het in beschuldiging stellen van den President aanleiding konden geven. Deze commissie bracht in het inmiddels door de verkiezingen vernieuwde Lagerhuis verslag uit, de meerderheid vond geen genoegzamen grond van schuld, de minderheid wel; het huis verzocht toen de commissie om haar onderzoek voort te zetten en in December 1867 kon zij, doordien een harer leden van meening veranderde, aan het Lagerhuis het voorstel doen om den President in beschuldiging te stellen. De grond waarop de beschuldiging rustte was voornamelijk: aanmatiging van macht, die uit allerlei handelingen van den President werd afgeleid. Afgescheiden van deze beschuldiging werden in het verslag der Commissie verscheidene verdachtmakingen van zwaarwichtigen aard geopperd, waaronder de ergerlijke, maar tevens bij uitstek dwaze, dat Johnson medeplichtig zou zijn geweest aan den moord van Lincoln. In de vergaderingen van het Lagerhuis werden deze verdachtmakingen, met de grootste onbeschaamdheid, als onomstootelijke waarheden verkondigd, daarbuiten werden zij door de den President vijandige pers, in zoo mogelijk nog scheller kleuren, aan het publiek voorgehouden. Er was evenwel in het Lagerhuis geen meerderheid te vinden die den President schuldig wilde verklaren. Met 57 tegen 108 stemmen werd het voorstel der Commissie verworpen; de tegenstemmers waren

Sluiten