Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afgeschaft; in het nieuwe Japan vervielen op den duur alle voorrechten, waren alle burgers gelijkelijk verplicht den keizer inet lijf en goed te dienen. De regeeriug wilde nog verder gaan en ook aan de vrouwen een betere rechtspositie verschaffen, in de verwachting, naar het schijnt, dat daardoor ook haar maatschappelijke stelling zou verbeteren. Maar zoodra de wetgeving dit gebied betrad, bleek zij machteloos. Zoomin de gelijkstelling der seksen als den godsdienst wilden de Japanners van de westersche beschaving overnemen. Het was volstrekt noodeloos den christelijken godsdienst te blijven verbieden, nadat de regeering hem toeliet bleek het volk er ontoegankelijk voor. De door de vorige regeering vervolgde en uit hun woonplaatsen gevankelijk weggevoerde cryptokatholieken uit de buurt van Nagasaki, maakten, toen hun droevig overschot na eenige jaren uit de verbanning mocht terugkeeren, evenmin bekeerlingen als de katholieke en protestantsche zendelingen m de verdratfshaveus. Het verwijderen der borden, welke sinds bijna drie eeuwen aan den ingang van elke plaats herinnerde aan de oude strafbepalingen tegen de christenen, kou geschieden zonder dat één Japanner zich daarom eerder liet bekeeren tot een godsdienst die voor driehonderd jaren zooveel aanhangers had gewonnen, dat Xaverius Japan een uitverkoren land kon noemen. Thans zocht ieder die niet tevreden was met de zeer eenvoudige, veelal niet begrepen plechtigheden van den shinto, ieder die behoefte had aan de voorschriften van zedelijkheid enz. welke dezeu geheel ontbraken, bevrediging bij de leer van Confucius of Boeddha, welke laatste nog tal van vereerders bleef tellen, al was haar vroegere overmacht gebroken. Tot het Christendom wendde zich zoo goed als niemand. Zelfs 11a jaren van onbelemmerde prediking, onder voortdurend verkeer met en voortdurenden invloed van de christelijke volken, telde men maar weinige duizenden christenen in het land. Het nieuwe Japan lette slechts op oogenblikkelijk nut. Het zag de meerderheid in der westersche wetenschap en ontwikkeling boven de Chineesche; maar het gaf niets om den westerschen godsdienst of de westersche ethische begrippen.

° Vandaar dat ook de pogingen om de Japansche vrouw uit haar ondergeschikte stelling iu de wereld en het huisgezin op te heffen, volslagen mislukten. De Japanner zag daar geen voordeel in, hij vond het belachelijk en als het ware strijdig met de natuur der dingen. Toen in 1871 besloten werd een uitgebreid gezantschap naar de staten, waarmede verdragen gesloten waren, af te vaardigen, dat nevens onder-

Sluiten