Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deels gevormd was uit de oudste lichtingen der volgens het stelsel vau algemeenen dienstplicht opgekomen burgers. Geen keizerlijk regiment sloot zich bij de beweging aan, hoewel de rebellen in den beginne aanzienlijke voordeelen behaalden. Saigo's eigen broeder, Saigo Tsoegoemitsi, die minister van oorlog was, gaf het voorbeeld van onwrikbare trouw aan den keizer, ook Saboero Simadzi onthield zich van elke deelneming, al bleef zijn houding onvriendelijk. Zoo werd het mogelijk den strijd te beperken. Tosa, voor welks opstand men bevreesd was geweest, bleef, dank zij de voorzorgsmaatregelen der regeering, rustig, hoewel Hagaki, die aan het hoofd der democratische partij stond, daar grooten aanhang had en de regeering voor een verbinding der beide oppositiepartijen vreesde. Zoo was het mogelijk dat na een halfjaar, in den zomer van 1877, de zaak van Saigo hopeloos begon te staan. Nog eenmaal herstelde hij zich door plotseling Kagoserna, dat reeds meermalen door beide partijen was bezet geworden, aan te vallen. Maar de vloot van admiraal Kawamoera belette de verovering, en den 24sten September liet de groote samoerai, toen hij doodelijk gewond werd, zich door een zijner getrouwen het hoofd afslaan. Een honderdtal dezer, en daaronder alle mindere hoofden, pleegden daarop zelfmoord; een waardig einde van den laatsteu strijd van het oude Japan tegen het nieuwe. Hij had 8 maanden geduurd; het verlies van menschenlevens van beide partijen was niet minder dan 14,000 geweest, terwijl 50,000 verwoeste huizen getuigenis aflegden van de verbittering waarmede gestreden was.

Kenschetsend voor den geest die in het volk heerschte, was de bijna goddelijke vereering, welke Saigo's uagedachtenis bleef genieten, een vereering, waaraan de regeering zelf zich aansloot door een elftal jaren later den doode niet alleen amnestie te schenken, maar hem zelfs te herstellen in alle eer en titels, welke hij voorheen bezeten had.

Maar de Satsoema-samoeraï's hadden lang te voren gezorgd de eer van hun han op hun wijze te wreken. Een halfjaar na Saigo's ondergaug, viel het hoofd der hervormingspartij Okoebo Tosimitsi, onder de slagen der aanhangers van zijn vroegeren boezemvriend, bijna op de wijze waarop negentien jaren vroeger li was gevallen.

Met diens dood was de periode der Japansche omwenteling aangevangen, met dien van Okoebo was hij voor goed gesloten.

De nieuwe tijd had voorgoed gezegevierd. In de volgende twintig jaren zou het blijken wat zich thans, nu de eerste overdreven her-

Sluiten