Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was en niemand was het in dit opzicht meer met hem eens dan zijn keizerlijke meester.

In Frankrijk was de stemming van het groote publiek tegenover bur(,aohe Pruisen minder bitter dan in Oostenrijk, omdat men zich nog altijd kweStie. vleide met het vooruitzicht van eenige aanwinst van land door Pruisen s bemiddeling, doch tevens krijgshaftiger, omdat men niet als in Oostenrijk gebukt ging onder den druk van een zware nederlaag, maar veeleer leefde in de hoop van schitterende zegepralen, zoo het eenmaal tot een oorlog moest komen. De Keizer, als altijd ongedurig in zijne denkbeelden en plannen, bleef echter vasthouden aan de meening dat er iets moest geschieden om de openbare meening in Frankrijk te verzoenen met de groote wijziging in den toestand van Europa. Een, zij het dan ook kleine aanwinst van grondgebied achtte hij noodzakelijk om bij de Fransehe natie het bewustzijn te versterken dat zij, ook na de machtuitbreiding van Pruisen, het machtigste volk van West Europa was gebleven.

Drouin de Lhuys, die, zooals wij vroeger reeds hebben vermeld, na de mislukte poging tot het verkrijgen van een uitbreiding der grenzen ten koste van Puitschland, zijn ontslag had genomen, werd vervangen door de Moustier, Fransch gezant bij den Sultan van Turkije. Zoolang deze staatsman nog in het buitenland was trad ad interim La Valette op, die gedurende den korten tijd van zijn interimair bestuur een brief aan alle Fransehe gezanten deed uitgaan, waarin de Fransehe staatkunde tegenover het buitenland, naar aanleiding van den pas geeindigden oorlo", werd blootgelegd. Dat niet de tijdelijke minister van Buitenlandsehe Zaken, maar de Keizer zelf in dit schrijven aan het woord was geweest, werd algemeen begrepen. Het stuk ademde een vredelievenden geest, het deed uitkomen dat Franknjk ten opzichte zijner machtsverhouding tot andere mogendheden dezelfde was gebleven, dat het geen vergrooting van grondgebied begeerde maar alleen die in ijvingen wilde die door een volstrekte noodzakelijkheid werden geeischt.

Wat men daaronder te Parijs verstond bleek welhaast.

De Keizer toch had thans de oogen gevestigd op het groothertogdom Luxemburg, dat reeds tweemalen, eerst onder Lodewijk XIV, later onder de eerste republiek en het keizerrijk, deel van Frankrijk had uitgemaakt en in zijne hoofdstad een der sterkste vestingen van Europa bezat,

die tot de Duitsche bondsvestingen had behoord en als zoodanig sedert de vestiging van den Duitschen Bond met een Pruisische bezetting

Sluiten