Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meerderheid. Even groote belangstelling als het kerkelijke vraagstuk, wellicht nog grootere, verwekte het voorstel der regeering om den monarchalen regeeringsvorin te behouden. Het werd door de republikeinen krachtig bestreden, maar ten slotte met een meerderheid van 214 tegen 71 stemmen aangenomen. Met diezelfde meerderheid tegen 55 stemmen werd op 1 Juni de geheele Grondwet aangenomen. Zij bevatte veel dat in Spanje nieuw was: algemeen stemrecht, drukpersvrijheid, vrijheid van vereeniging en vergadering en de verklaring dat alle macht uit het volk voortvloeide. Wat den regeeringsvorm betreft vestigde zij de erfelijke monarchie en een volksvertegenwoordiging in twee kamers gesplitst, de Senaat en de Kamer van Afgevaardigden.

Zoolang men nog geen Koning had, bleef het voorloopig bewind aan het roer. In Juli 1S69 stelde Olozaga in de Cortes voor, om Serrano tot Regent te benoemen en hem de volle macht te schenken, die volgens de nieuwe Grondwet aan den Regent toekwam, met uitzondering van het recht van bekrachtiging der wetten en van ontbinding der Cortes. De republikeinen wilden van dit voorstel niet weten, zij wenschten een uitvoerend bewind uit de Cortes, of een Regent die verantwoordelijk zoude wezen aan de Cortes. Met 19a tegen 45 stemmen nam evenwel de vergadering het voorstel van Olozaga aan. Serrano werd hierop plechtig als Regent erkend. Hij benoemde dadelijk Prim tot minister-president.

De leiding der zaken in Spanje berustte nu hoofdzakelijk bij deze beide mannen, doch de invloed van den president-minister was merkbaar grooter dan die van den Regent. Serrano was tegen Prim niet opgewassen. Hij was niet onbekwaam, vertegenwoordigde als hoofd van den Staat met groote waardigheid de Spaausehe natie, doch miste den onvermoeiden ijver en het scherpe doorzicht van Prim, waardoor deze zich overal invloed wist te verschaffen en zoo hij al niet alles totstand kon brengen wat hij wilde, toch het meeste wat hij niet wilde kon tegenhouden.

De groote vraag, die na de afkondiging der nieuwe Grondwet het Spaansche volk en zijne bewindslieden bezighield, was de ten uitvoerlegging der bepaling, waarbij de erfelijke monarchale regeeringsvorm voor Spanje was vastgesteld. De troon was wettelijk gevestigd, maar men had niemand die aangewezen was om er op plnats te nemen. Er moest dus naar een Koning worden gezocht. Het gros der Spanjaarden achtte de moeielijkheid der keus het eenige bezwaar en kon zich de mogelijkheid niet voorstellen dat een gekozene de kroon zoude afwijzen.

Sluiten