Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

koesterde, had zich reeds sints geruime» tijd beziggehouden met de verbetering der Fransche legerinrichting. Hij was voorstander van het Pruisische stelsel van algemeenen en persoonlijken dienstplicht, maar de openbare meening in Frankrijk was hiervan zoo sterk afkeerig, dat er aan een invoering niet kon worden gedacht; niet alleen de onwil om de persoonlijke lasten te dragen, maar ook de vrees voor de financieele gevolgen eener zoo kostbare legerhervorming waren de beweegredenen tot dezen afkeer. Er moest dus naar een ander stelsel worden gezocht, dat zonder te zware vermeerdering van persoonlijke en geldelijke lasten aan de door de krijgskundigen gestelde eischen voldeed. Langdurige beraadslagingen van deskundigen, onder persoonlijke leiding en deelneming van den Keizer, hadden eindelijk tot uitslag dat een ontwerp werd ingediend, waarbij in zekeren zin algemeene dienstplicht werd ingevoerd; de geheele lichting zoude jaarlijks voor den dienst worden aangewezen, hetzij voor den werkelijken dienst, hetzij voor de reserve, hetzij voor de zoogenaamde garde mobile. De plaatsvervanging bleef behouden in dien zin, dat ieder door het storten van een bepaalde som zich van den dienst bij het leger of de reserve kon bevrijden, doch dan gedwongen was om gedurende negen jaar, onder den last van betaling van zijne uitrustingskosten, bij de garde mobile te dienen. De minister van oorlog Randon had zich met dit ontwerp niet kunnen vereenigen; in zijne plaats was dan ook in Januari 1867 de maarschalk Niel opgetreden, die met den Keizer het ontwerp had uitgewerkt en derhalve de aangewezen man was om het in de vertegenwoordiging te verdedigen.

Het ontmoette aldaar ernstigen tegenstand. De commissie van achttien leden uit het wetgevend lichaam, die met het onderzoek van het wetsontwerp werd belast, wilde in geen geval het beginsel prijs geven, dat jaarlijks door de wet het aantal dienstplichtige personen zoude worden aangewezen en niets weten van het beginsel van algemeenen dienstplicht. Hoewel zij voor het grootste gedeelte bestond uit leden die de Keizerlijke regeering waren toegedaan en die wisten, dat het wetsontwerp aan het persoonlijk verlangen van den Keizer beantwoordde, was zij niet te bewegen tot toegeven. Zij wist dat zij zoodoende in overeenstemming was met de wenschen van het Fransche volk, de Keizer begreep dan ook dat een ontbinding hem een nog ongunstiger gestemde vergadering zoude op den hals schuiven. Hij onderwierp zich met een bloedend hart. In de Kamer der Afgevaardigden werd het gewijzigde

Sluiten