Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toch zag deze nieuwe Kamer er geheel anders uit dan hare voorgangsters. Onder de leden die de regeering niet ongunstig gezind waren, heerschte niet langer de geest van onderdanigheid aan en afhankelijkheid van de regeering, die vroegere meerderheden had bezield. Naarmate de Keizer van zijn gezag in het land verloor, groeide bij de afgevaardigden het gevoel van zelfstandigheid en onafhankelijkheid aan. \ roeger was het de alvermogende steun des Keizers, aan wien zij hunne plaats in de vertegenwoordiging dankten, thans begon het er meer naar uit te zien, alsof de Keizer, wilde hij zich op den troon handhaven, hunnen steun zoude noodig hebben. Welbegrepen eigenbelang noopte hen om meer op den wil hunner kiezers dan op den wil des Keizers acht te slaan. Deze afval, die voor den Keizer niet verborgen kon blijven, verontrustte hem in hooge mate, hij bracht hem in een gemoedstoestand, die de radeloosheid nabij kwam. Zijn zelfvertrouwen was verdwenen, hij durfde niet in te grijpen in den loop der omstandigheden, en kon het met zichzelven niet eens worden hoe tegenover de nieuwe Kamer te handelen. Tengevolge zijner besluiteloosheid werd de bijeenroeping der Kamer eerst uitgesteld, daarna op 28 Juni bepaald, doch alleen voor het onderzoek der geloofsbrieven. Het was echter ondenkbaar, dat een pas gekozen Kamer, en nog wel een Fransche, zich een zoo volkomen ongemotiveerd uitstel harer werkzaamheden zoude willen laten aanleunen. Er vormde zich reeds dadelijk een groep, die zich voornam in de eerste bijeenkomst een interpellatie tot de regeering aan te kondigen over de hervormingen, die zij voornemens was in te voeren. Het waren niet de onverzoenlijke vijanden der regeering, maar de meer vrijzinnige leden der vergadering, die, als Olivier, het Keizerrijk tot een wezenlijk constitutioneele monarchie wilden vervormen, van welke deze beweging uitging. Zij vond bijval onder de meer besliste aanhangers der Keizeilijke regeering, zelfs onder mannen die tot de omgeving van den Keizer behoorden. Ue interpellatie telde welhaast 116 onderteekenaars. Xu begreep de Keizer, dat hij toch iets moest doen. Hij offerde zijn ministerie op, liet Rouher eerst nog een verklaring voorlezen, waarin een aantal hervormingen werden afgekondigd die, zooals de Grondwet voorschreef, aan den Senaat zouden worden voorgesteld, en verdaagde de zittingen der Kamer inmiddels voor onbepaalden tijd. Er was nu in elk geval datgene verkregen, waar de door de meest uiteenloopende denkbeelden van allerlei raadslieden heen en weder geslingerde Keizer het meest naar snakte, tijd om zich te beraden. Allereerst moest er een

Sluiten