Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zitting geopend, de regeering deed haar voorstel, zoodat de Kaïner over twee voorstellen te beslissen had. Er kwam echter nog een derde bij. Thiers verklaarde dat hij, hoewel hij persoonlijk aan het voorstel der linkerzijde zijn goedkeuring gaf, in het belang der eendracht, in deze oogenblikken van gevaar zoo noodzakelijk, met een aantal leden van verschillende denkwijze een voorstel wilde doen, dat wellicht eenstemmigheid zoude kunnen verkrijgen. Het luidde aldus: met het oog op de omstandigheden benoemt de Kamer een commissie voor de regeering en voor de verdediging des lands. Zoodra de omstandigheden het toelaten, zal een constitueerende vergadering worden bijeengeroepen. De Kamer besloot dadelijk in de afdeelingen te gaan, teneinde de drie voorstellen te onderzoeken.

Terwijl dit plaats had en de groote vergaderzaal dus bijna geheel ledig was, gelukte het de menigte die buiten het gebouw stond opeengepakt, om door de bewaking heen binnen te dringen. Er was weinig tegenstand, de politie en de troepen durfden tegenover de menigte, waaronder vele gewapende leden van de burgerwacht waren, geen geweld te gebruiken. Instinktmatig scheen iedereen te gevoelen dat elke binnenlandsche strijd moest worden vermeden, nu de vijand van buiten ieder oogenblik voor de poorten kon staan. De bonte menigte, die onder luid geschreeuw zich door de gangen en zalen verspreidde, gedroeg zich ook niet onbetamelijk, zij wilde echter niet hooren naar den voorzitter die dadelijk zijnen zetel had ingenomen, noch naar de leden, die, zoodra zij het rumoer hadden gehoord, uit de zalen der afdeelingen naar de groote zaal waren terug gesneld, welke allen de menigte dringend vermaanden om de Kamer rustig te laten doen wat zij zelve ook wenschte: het vestigen eener uieuwe regeering. Zelfs de krachtige stem van den bij het volk zeer geliefden en algemeen bekenden Gambetta vermocht niets.

Tegen drie uur verliet de voorzitter zijnen zetel, na de zitting te hebben gesloten. Nu werd het rumoer nog grooter en de verwarring onbeschrijfelijk. Jules Favre, wien van alle zijden werd toegeschreeuwd dat hij de republiek moest uitroepen, meende toen dat hij niets beter kon doen dan zich te houden aan de oude overlevering van de omwentelingen van 1848 en 1830, toen de nieuwe regeering op het stadhuis was uitgeroepen. Hij riep de menigte toe, dat hij zich naar het stadhuis wilde begeven en verzocht haar hem te volgen. Dadelijk vormde zich achter hem en enkele andere afgevaardigden een stoet, die toen hij

Sluiten