Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

allerlei vragen van louter vorm en van ondergeschikt belang bezig, dat de totstandkoming van het verdrag tot in het oneindige scheen te zullen worden verschoven. Ook dit verhoogde de prikkelbaarheid van den Duitschen Rijkskanselier niet weinig; hij begon te vermoeden dat men van Fransche zijde vertraging beoogde nog steeds hopende op de tusschenkomst van onzijdige mogendheden, of wel in geheime samenspanning was met de Commune. Zijn toon werd barscher en zijne eischen buitensporiger; in het begin van Mei eischte hij een schadeloosstelling voor het langer verblijf der Duitsche troepen in Frankrijk, en meende die te kunnen bepalen op het bedrag dat Duitschland aan de Ooster-spoorwegmaatschappij te betalen zoude hebben, voor het overnemen der lijnen op het voormalig Fransch gebied, wat door deze maatschappij op 400 millioen franken was geraamd. Thiers en Favre waren ten einde raad, een persoonlijk onderhoud met Bismarck werd in deze hachelijke omstandigheden als de eenige uitkomst beschouwd. De Rijkskanselier liet zich hiervoor vinden en verzocht Favre om te Frankfort te komen, den 6en Mei.

Op dien dag had de derde ontmoeting der beide staatslieden in het belang van den vrede plaats. Zij wekte bij Favre de smartelijke herinneringen aan die van Ferrières en Versailles weder op; hij ging nu vooral gebukt onder den zwaren last van den nog niet bedwongen opstand, die hem in zijne onderhandelingen zeer merkbaar belemmerde. Gelukkig had hij ditmaal een voortreffelijk medeonderhandelaar naast zich, den minister van Financiën, Pouyer Quertier, een kundig en behendig man, die door zijne welbespraaktheid, kennis en nuchtere opvatting van zaken Bismarck zeer wist in te nemen. Deze verklaarde dadelijk een ultimatum te moeten stellen, dat den uitdrukkelijken wil van den Keizer behelsde. Deze verlangde dat de bezetting van de forten om Parijs zoude blijven voortduren, na de bekrachtiging van het te sluiten vredesverdrag en zoo lang als de staatkundige toestand van Frankrijk reden gaf tot twijfel of de regeering wel in staat was om aan hare verplichtingen tegenover Duitschland te voldoen. De Duitsche regeering zoude geheel vrij en zelfstandig over het aanwezig ziju van dit geval oordeelen. Wilde Frankrijk hier niet in treden, dan moesten de bepalingen van het voorloopig vredesverdrag, waarvan tengevolge van den opstand der Commune was afgeweken, weder in werking treden; het Fransche leger moest tot 40 000 man worden teruggebracht en het overige deel aan gene zijde van de Loire worden gezonden. De onaannemelijkheid van

Sluiten