Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ïalk s eerste daad was een wet op het schooltoezicht, waardoor de in Pruisen bestaande invloed van de geestelijken op het onderwijs tot zeer kleine verhoudingen werd teruggebracht. Aan de behandeling dezer wet in den Pruisischen Landdag en in het Heerenhuis nam Bismarck ijverig deel. Yan de zijde der Katholieken werd een krachtig verweer gevoerd, waarbij op den voorgrond trad een voormalig minister in het Koninkrijk Hannover, Winthorst, die van lieverlede de leider werd van de Centrumpartij. Wegens zijne gehechtheid aan het in 1866 door de Pruisen verdreven Hannoversche Koningshuis en zijn stilzwijgend verzet tegen de inlijving van zijn vaderland bij Pruisen, had hij zich reeds den haat van den rijkskanselier in ruime mate op den hals gehaald. De kerkelijke strijd maakte de beide staatslieden tot onverzoenlijke tegenstanders.

Na de Pruisische wet op het schooltoezicht volgde een zeer strenge rijkswet tegen de Jezuieten, waardoor vreemdelingen tot de Jezuietenorde behoorende uit het land werden gezet, en Duitschers onder politietoezicht gesteld; alle gestichten door Jezuieten beheerd moesten binnen zes maanden gesloten worden. Hoe is het mogelijk — spotte Winthorst — dat een rijk van veertig millioen inwoners met eeu millioen soldaten zich zoo bang maakt voor twee honderd ongewapende geestelijken! He Jezuieten wet was evenwel van alle kerkelijke wetten uit dit tijdperk de minst bestredene, want de Jezuieten hadden in Duitschland een slechten naam; zij vond schier algemeenen bijval bij alle Duitschers die niet tot de ultramontaansche Katholieken behoorde, alleen enkele zeer vooruitstrevenden en de destijds nog weinig talrijke socialisten waren er tegen, omdat zij in deze uitzonderingswet tegen een bepaalde vereeniging van personen een gevaarlijken inbreuk op de vrijheid zagen, die vroeg of laat als voorbeeld tegenover henzelven zoude kunnen worden ingeroepen.

De kroon op zijn werk zette Falk evenwel door de Pruisische Meiwetten, aldus genoemd omdat zij in de Meimaand van 1873 tot stand kwamen. Door deze wetten, die een voorafgaande wijziging in de Pruisische Grondwet noodzakelijk maakten, kwamen de kerken en hunne geestelijken geheel onder de macht van den Staat. Voor de Evangelische kerk, aan het juk van den Staat van ouds gewoon, was dit minder bezwarend, maar voor de Katholieke kerk dreigde de nieuwe regeling een ware dwingelandij te zullen worden. Nu van alle zijden in de vertegenwoordiging en in de pers onbewimpeld de beschuldiging werd

Sluiten