Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tigde te Sofia, destijds nog een onaanzienlijk vlek, zijnen vorstelijken zetel. Reeds bij zijne komst vond hij zich tegenover groote moeilijkheden geplaatst; de Russen wilden Bulgarije geheel onder hunnen invloed houden en de vorst was gedwongen onophoudelijk bij den Czaar klachten in te dienen over de aanmatiging der Russische ambtenaren die hij in zijn land vond. Hij bezat niet de buigzaamheid van zijnen Rumeenschen buurman en bleek volkomen ongeschikt om zich in zijnen moeielijken toestand te voegen. Hij zag zich dan ook reeds na eemge jaren gedwongen om zijne kroon neder te leggen.

De uitvoering der bepaling van het Berlijnsche verdrag ten opzichte van Bosnië en Herzegowiua berokkende aan Oosteurijk-Honganje grooter bezwaren dan waarop het gerekend had. De bezetting dezer beide gewesten door de Oostenrijksche troepen, die men te Weenen beschouwde of wellicht voorwendde te beschouwen als een vredelievende inbezitneming, leidde tot een bloedigen oorlog met de bevolking, waaraan ook geregelde Turksche troepen, die zich nog in deze landstreken bevonden, een levendig aandeel namen.

Philippovic, de bevelhebber der Oostenrijk-Hongaarsche troepen, trok in het laatst van Juli 187S Bosnië binnen, na een proclamatie te hebben uitgevaardigd waarin hij de bewoners aankondigde dat hij hun den vrede bracht en hun verzocht zijne soldaten dan ook als vrienden te ontvangen. Reeds eenige dagen later werd een afdeeling zijner ruiterij verraderlijk aangevallen en met groote verliezen teruggeslagen. Er volgde hierop een reeks van gevechten, de gansche bevolking bood eenparig gewapenden tegenstand, zoodat men zelfs te Weenen zich gedwongen zag om vier nieuwe legerafdelingen te vormen. Eerst in October hadden de Oostenrijkers hun doel bereikt en was de bezetting voltooid, doch niet dan met groot verlies van menschenlevens. De bewoners, die zich met de wapenen hadden verzet, werden door de Oostenrijksche bevelhebbers als opstandelingen beschouwd en als zoodanig behandeld. e aanvoerders, die in hunne handen vielen, werden doodgeschoten of opgeknoopt, de overigen vluchtten, toen elke tegenstand vruchteloos was gebleken, op Servisch en Montenegrijnsch grondgebied, waar zij, uit vrees voor Oostenrijk, aangehouden en ontwapend werden. In het geheim hadden evenwel beide landen het verzet zooveel mogelijk aangevuurd, zij zagen dan ook met tegenzin en wantrouwen de vestiging van den machtigen buurman in het Balkanschiereiland en bleven hunne hoop voor de toekomst op den Czaar stellen.

Sluiten