Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Antigonus opengevallen satrapiën opgedragen had, liet hij de bescherming van Klein-Azië tegen Antipater en Craterus over. Hij zelf brak met het rijksleger naar het zuiden tegeu Ptolemaeüs op.

Hoe zwaar de aan Eumenes opgedragen taak ook was, hij vervulde die met evenveel beleid als dapperheid. Tegen hem, den Griek, heerschte in zijn eigen leger een diepgeworteld wantrouwen. De Macedonische hoofdlieden en soldaten waren veel eer geneigd om zich aan den door allen vereerden veldheer van Alexander, Craterus, aan te sluiten, dan tegen hem te strijden en Eumenes moest wel beducht zijn voor verraad, wanneer hij het tot een slag in het open veld liet komen tusschen zijne eigen troepen en die. welke door Antipater en Craterus tegen hem werden aangevoerd. Een voorspel van zulk verraad gaf de trouweloosheid van den satraap van Armenië, Neoptolemus, die openlijk de zijde van Antipater en Craterus koos.

Onder zulke omstandigheden was Eumenes niet in staat zijnen tegenstanders den overtocht over den Hellespont te heietien, hij trok naar Cappadocië terug en dwong hierdoor de beide veldheeren om hunne krijgsmacht te splitsen, aangezien zij hem niet in hun rug konden laten, terwijl zij zuidwaarts trokken, om Plolemaeüs ter hulp te snellen.

Met het kleinste deel des legers marcheerde Antipater naar het zuiden, het grootste deel, 20,000 man voetvolk en 2000 ruiters sterk, rukte onder Cralerus en Neoplolemus naar Cappadocië op. Kort hierop, in den zomer van 321, kwam het tot een slag. Van weerszijden werd met de gewone dapperheid gestreden. Craterus was overal aan het hoofd der zijnen in hel dichtste slaggewoel; hij stelde zijn leven te roekeloos in gevaar. Te midden van het gevecht stortte hij gewond met zijn paard ter aarde; vrienJ en vijand joegen over hem heen, zoodal hij door de hoeven der paarden vertrapt werd. Neoplolemus sneuvelde in een tweegevecht met Eumenes, die niet rustte, voordat hij den gehaten verrader op het slagveld onldekt had. De dood van dezen veldheer beslislle den uitslag van liet gevecht; Eumenes had eene schitterende zegepraal bevochten, eene zegepraal die des te belangrijker was, dewijl Antipater thans met zijn leger van Macedonië was afgesneden.

Perdiccas was intusschen naar Egypte gemarcheerd. Zonder eenigen tegenstand te ontmoeten was hij het Nijlland binnengedrongen tol aan den omtrek van Pelusium, waar Ptolemaeüs met zijne geheele krijgsmacht achter een der armen van den Nijl gelegerd was. De overtocht over de rivier was hoogst moeilijk; tevergeefs beproefde Perdiccas dien meer dan eens, ten koste van zeer zware verliezen. De Macedonische soldaten, die Plolemaeüs als den bekwaamsten veldheer van Alexander vereerden, waren reeds half onwillig tegen hem ten strijde getogen; thans, nu hunne verliezen met eiken dag klommen, brak er eindelijk een openbare opstand uit. Deze opstand werd aangemoedigd door de hoofdlieden van Perdiccas, die zich met Ptolemaeüs in betrekking hadden gesteld, dewijl zij den trotschen, heerschzuchtigen Rijksbestierder haatten.

Terwijl in de legerplaats de soldaten morden en gereed stonden om hunne wapenen tegen hun eigen veldheer te keeren, drongen de aanvoerders diens tent binnen; zij verweten hem, dat hij schuld droeg aan al de verliezen, welke deze rampzalige oorlog na zich had gesleept, en zeiden hem de gehoorzaamheid op. Nauwelijks hadden deze de tent verlaten of zij werden gevolgd door anderen, aan wier hoofd Seleucus met nog eenige hoofdlieden stond. Dezen stelden zich niet met woorden tevreden; zij wierpen zich op den rijksbestierder en slietlen hem met hunne sarissen neder, zoodat hij met wonden overdekt ter aarde zonk.

Deze moord, op den rijksbestierder gepleegd, had verreikende gevolgen. Ptolemaeüs maakte terstond een einde aan de vijandelijkheden; in persoon verscheen hij in de legerplaats zijner voormalige tegenstanders, die hij als zijne vrienden en medeveldheeren begroette. Van een oorlog was volstrekt geen sprake meer.

Sluiten