Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was bijna geheel Klein-Azië nog aan zijne macht onderworpen, maar reeds deden zich hier en daar onder de Macedonische soldaten, waarover hij bevel voerde, sporen van weerspannigheid tegen hem, den geboren Griek, voor. Zijne afkomst legde hem overal hinderpalen in den weg. Alcetas en Attalus, de nabestaanden van Perdiccas, die even als hij door het in Egypte over hen gevelde doodvonnis bedreigd werden, achtten het toch beneden zich, met den dapperen Griekschen veldheer gemeene zaak te maken. Hun trots gedoogde dit niet; zij ontvingen daarvoor de verdiende straf, want spoedig werden zij door Antigonus overwonnen.

Niet zoo gemakkelijk slaagde deze er in, Eumenes te onderwerpen. Met een veldheerstalent, de school van den grooten Alexander waardig, verdedigde hij zich legen de overmacht. Hij behaalde menig voordeel, doch het verraad, dat er in zijn eigen leger school, maakte het hem eindelijk onmogelijk den vijand langer het hoofd te bieden. Hij dankte al zijne troepen af, met uitzondering van ongeveer 1000 man; met deze zijne getrouwste soldaten trok hij zich in de bergvesting Nora in Cappadocië terug en hier hield hij zich maanden lang staande tegenover de gansche krijgsmacht van Antigonus, die de vesting belegerde.

Eurnenps had Nora zóó overvloedig van levensmiddelen voorzien, dal hij jaren lang tegen gebrek beveiligd was. De belegering zou ongetwijfeld van langen duur zijn geweest, indien zij niet door eene belangrijke gebeurtenis was afgebroken. Terwijl Antigonus al zijne krachten inspande om de vesting stormenderhand te vermeesteren, stierf in Europa in het jaar 319 de rijksbestierder Antipater. Vóór zijn dood had deze bepaald, dat niet zijn zoon Cassander, die zich door zijne wreedheid en heerschzucht bij vele Macedoniërs gehaat had gemaakt, maar de oude veldheer Polysperchon hem als rijksbestierder zou opvolgen. Cassander werd dezen als legerhoofd toegevoegd.

Polysperchon had zijn naam als veldheer beroemd gemaakt door de onderwerping van de Aeloliërs, die na het verdrag met Antipater een opstand beproefd hadden; daarenboven was hij bij de Macedoniërs als een oud, rondborstig, lustig krijgsman geliefd. In weerwil van zijn ouderdom was hij een der vroolijkste gasten aan een feestmaal, dikwijls wierp hij zijn wapenrok ter zijde en voerde hij een lustigen dans uit, wanneer hij vol zoeten wijn was. Tot heden had hij al zijne plichten getrouw volbracht, als onderbevelhebber was hij voortreffelijk, maar de zware verplichtingen, aan het ambt van rijksbestierder verbonden, eischten grootere talenten dan de zijne. Hij bleek voor zijne moeilijke en eervolle taak niet geschikt en weldra dreef de loop der omstandigheden hem deels tot oneerlijke maatregelen, deels zelfs tot onwaardige handelingen, waarmee hij zijn naam als man van eer, dien hij tot dusver bewaard had, bezoedelde.

Had Cassander gedurende de laatste ziekte zijns vaders de zaken van het rijksbewind zelfstandig beheerd, des te grievender moest voor hem de bepaling van Antipater zijn, dat hij de koninklijke zegels aan Polysperchon overgeven en zich met het opperbevel over het leger vergenoegen moest. Hij wilde niet onder het bestuur van een oud man staan, dien hij verachtte; het rijksbewind 0f _ zoo dit mislukte — eene onafhankelijke heerschappij over Macedonië en Griekenland was het doel van zijn streven. In Griekenland stond hij in verbintenis met de meeste Macedonische bevelhebbers der Grieksche steden, en met de oligarchen, die zijn vader had aangesteld; dezen hoopte hij zonder moeite tot zijne partij over te halen. Doch zoo hij Polysperchons macht wilde fnuiken, dan moest hij vóór alle dingen de satrapen in Azië tot zijne bondgenooten maken.

Alleen met hunne hulp kon hij zich met hoop op goeden uitslag openlijk tegen Polysperchon aankanten, want de oude veldheer was in Macedonië te zeer bemind, dan dat Cassander hier thans iets tegen hem had kunnen ondernemen. Hij verliet derhalve Europa en begaf zich tot Antigonus, om met dezen een verbond tegen den rijksbestierder te sluiten.

Sluiten