Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen hij inzag, dat hij niet aan het woord kon komen, riep hij luid: »Ik beken schuld, ik wil met mijn leven er voor boeten; maar waarom, Atheners, wilt gij deze mannen," — en hij wees op zijne medegevangenen — «dieniets misdreven hebben, ter dood brengen?" — »Het zijn uwe vrienden! steenigl hen!" schreeuwden de razenden. Phocion omhulde zijn gelaat. Hij sprak geen woord meer lot zijne verdediging; zijne vrienden konden evenmin aan liet woord komen en toen het tot eene stemming kwam. werden bijna alle handen opgestoken, om Phocion ter dood te verwijzen.

Slechts met moeite werd het volk teruggebracht van het denkbeeld om de aangeklaagden op de pijnbank Ie leggen; toen zij naar de gevangenis gebracht werden, zond de menigte hun een stroom van scheldwoorden en spotredenen achterna. Een burger plaatste zich zelfs voor Phocion en spuwde hem in het gelaat.

»Wil dan niemand dezen onfatsoenlijken man van mijn lijf houden? dat was hel eenige woord, hetwelk Phocion tegen zulk eene mishandeling inbracht. Slechts weinigen betreurden den dood van den voortrellelijken man; eenige ridders, die den veroordeelde op straat ontmoetten, bleven staan en slortfen tranen. _ .

Phocion en vier zijner vrienden moesten in de gevangenis den giftbeker drinken.

Het doodvonnis, dat den edelen, rechtvaardigen,onbaatzuchtigen Phocion. die zijne vaderstad zoolang trouw gediend had, trof, wordt door de meeste geschiedschrijvers als eene wreede daad van het volk, dat zich tot zijn eigen rechter had opgeworpen, als eene wraakoefening van het bloeddorstig democratisch gepeupel voorgesteld. Hooren wij wat de voortreffelijke Grote in zijne met de grootste helderheid geschreven geschiedenis van Griekenland daarover zegt.

»Als rechtsgeding beschouwd, is het laatste drama van Phocion voor het in den schouwburg vergaderde volk niets meer dan een gruwzaam spel; als de openbaring eener reeds sinds lang heerschende openbare meening beschouwd, is zij zulk eene daad, die in de feiten van het verleden hare volle rechtvaardiging vond. Het is zoo, niet zonder smartelijke deelneming kunnen wij lezen, hoe een meer dan tachtigjarig grijsaard, die persoonlijk braaf, zachtmoedig en, wat zijne daden als bestuurder betreft, boven alle omkooping verheven was, in den wilden vernielenden storm der volkswoede den ondergang vindt. Maar wanneer wij op het geheel zien, wanneer wij niet alleen op de bijzonderheden in Phocions bestuur, maar op de groote staatkundige doeleinden letten, aan wier bereiking elke zijne regeeringsdaden dienstbaar moest zijn, wanneer wij ons herinneren, in welk een toestand hij zijne vaderstad gebracht had. dan zullen wij erkennen, dat het vonnis, door het volk over hem geveld, feu volle verdiend was. — — — Na de vrijzinnige, in naam der Macedonische koningen afgekondigde proclamatie, die aan de verbannen democraten den terugkeer in hunne vaderstad vergunde, zocht hij zijn persoon te beveiligen, eerst door die verraderlijke werkeloosheid, waardoor hij oogluikend Nicanor in staat stelde om zich van den Piraeüs meesier te maken, vervolgens door naar de gunst van Polysperchon, Nicanors vijand, ie dingen. Eene vrijwillige ballingschap, waarvan zijn vriend Dernelrius Phalereus het voorbeeld gegeven had, zoude minder gevaarlijk en minder onteerend voor hem geweest zijn dan deze stappen, die een zwarte schaduw op het eind zijns levens wierpen, .zonder dat zij hem ten slotte onthieven van de noodzakelijkheid om aan de teruggekeerde en in hunne rechten herstelde democraten het hoofd te bieden. De onstuimige en algemeene verbittering des volks legen hem is een leerrijk, zij het dan ook bedroevend schouwspel. Zij was niet legen den menscli of tegen den regent, — want in deze beide hoedanigheden was Phocion, mei uitzondering van zijne laatste verstandhouding met Nicanor ten aanzien van het bezetten van den Piraeüs, onberispelijk geweest — maar tegen de door hem gevolgde staatkunde gericht. Zij was het laatste krachtige protest der

Sluiten