Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Irok liij in het jaar 272 naar den Peloponnesus, om Sparta te veroveren. Evenals alle vreemde vorsten, die een inval in Griekenland deden, had ook hij het woord vrijheid in den mond: hij beloofde den Grieken, dat hij aan de door Antigonus bezette steden de vrijheid terugschenken kwam, maar inderdaad gold zijn aanval de Spartanen.

Reeds sinds lang was Sparta de oude staat van Lycurgus niet meer; de oude Spartaansche staatsregeling was vernietigd, de vroegere eenvoud van zeden en daarmee de macht van den staat was verdwenen. De ephoren voerden eene onbeperkte heerschappij; de vroegere gelijkheid van vermogen onder de adellijke burgers van den staat was sinds lang verbroken; eene wet, ten tijde van Philippus II van Macedonië uitgevaardigd, had den burgers vrijheid verleend om ook hunne onroerende goederen weg te geven of bij uiterste wilsbeschikking te vermaken. Hierdoor nu was langzamerhand eene ongelijkheid van grondbezit ontstaan, die alle goederen in de handen van enkele aanzienlijke familiën had doen overgaan. De overige Spartaansche edelen waren geheel verarmd en daar het den slaat geheel aan handel en nijverheid ontbrak, waren ook de burgers van lageren rang van alle vermogen ontbloot. De enkele rijke geslachten hadden natuurlijk alle macht in handen; al bezaten de verarmde edelen nog altijd hunne oude rechten, voor den vroegeren eenvoud was eene buitensporig verkwistende leefwijze in de plaats getreden; de syssiliën of gemeenschappelijke maaltijden, waren sedert lang in onbruik geraakt, in plaats daarvan werden door de aanzienlijken overdadige feestmalen gevierd, terwijl de armen van gebrek versmachtten. De koningen hielden een prachtigen hofstoet en werden door de rijke edelen in verkwisting nog overtroffen. De grootst mogelijke zedeloosheid heerschle er; de vrouwen vertoonden zich mei hare minnaars in het openbaar, zelfs de gemalinnen des konings gedroegen zich op de onbeschaamdsle wijze. De dochters der aanzienlijken hadden in den staat eene beteekenis gekregen, welke de Spartaansche vrouwen voorheen nooit konden bezitten; met haar aanzienlijk erfgoed waren zij een verleidelijk lokaas voor de adellijke minnaars en ten gevolge biervan oefenden zij dikwijls een invloed en eene macht uit. welke die der koningen nog overtroffen.

Het is zeker een vreemd verschijnsel dat, in weerwil van de volslagen verandering, die geheel het burgerlijke leven ondergaan had. de burgers van Sparta toch hunne oude dapperheid bewaard hadden. Maar zij maakten die slechts zelden aan de verdediging van het vaderland dienstbaar. De Spartaansche edelen leidden meestal een woest rooversleven, door rooftochten poogden zij zich schatten te verwerven, om deze dan in hunne vaderstad te verbrassen. Een staat, welks innerlijk verval zoo duidelijk bloot lag voor ieders blik, scheen eene gemakkelijke prooi voor een veroveraar te zijn. Pyrrhus had dan ook zonder aarzelen den raad van Cleonymus gevolgd. Zonder den minslen tegenstand te ontmoeten — een deel van hel Spartaansche leger bevond zich juist onder bevel van koning Areus op een rooftocht tegen Creta — Irok Pyrrhus roovend en plunderend door Laconië.

Niet ver van Sparta ontmoette hij het Spartaansche leger. Na een hevig gevecht moesten de Spartanen in de stad terugtrekken, de vijand volgde hen op den voet.

Sparta scheen verloren. Reeds versierden de vrienden van Cleonymus - zijn huis om hem feestelijk te ontvangen, reeds bereidden zij een maaltijd, cm den oveiwinnaar te onthalen, reeds heerschte in de slad een algemeene schrik, dewijl men verwachtte dat Pyrrhus oogenblikkelijk binnen hare muren verschijnen zou. Doch eensklaps hield de overwinnaar halt, hij meende aan zijn leger eene korte rust Ie moeten gunnen, eer hij de slad aantastte, die sinds den aanval van Demetrius met diepe grachten en sterke palissaden bevestigd was. Den volgenden morgen zou hij haar, naar bij zich voorstelde, zonder groote krachtsinspanning binnendringen.

Maar in dezen nacht greep er een geheele ommekeer in de stemming der

Sluiten