Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gonalas van Macedonië te fnuiken. Hij reisde in persoon naar Egypte en bracht van daar rijke schatten mede, die hij gebruikte om de Sicyonische ballingen tevreden te stellen. De dankbaarheid zijner medeburgers kende geene grenzen en ook in de Achaeïsche bondsvergadering verwierf Aralus zich zulk een aanzien, dat bij in bet jaar 245 voor de eerste maal en in hel jaar 243 voor de tweede maal tot strateeg verkozen werd. Dat men eene gelukkige keuze had gedaan, bewees Aratus door eene onderneming, welke het Achaelsch verbond tot bet hoogste toppunt van macht en invloed verhief, door, namelijk. Corinthe tot den bond te brengen.

Corinthe beheerschte den Isthmus, den eenigen landweg uit MiddelCriekenland naar den Peloponnesus. De burg der machtige stad, de Acropolis, werd daarom door de Macedoniërs terecht de kluister van Griekenland genoemd en deze burg was door Macedonische soldaten bezet. Antigonus Gonatas kon van bier uit telkens nieuwe pogingen aanwenden om zijne heerschappij over den Peloponnesus uit te breiden. De bevrijding van Corinthe was dus de eerste en voornaamste plicht van het Achaeïsch verbond. Eene onverwachte omstandigheid stelde Aratus in slaat door een stoulen handgreep Corinthe te veroveren.

Te Corinthe woonden vier gebroeders uit Syrië afkomstig; één hunner stond als huurling bij de Macedonische bezelling, de drie overigen hadden te Corinthe een dielstal begaan, zij hadden de koninklijke schatkist beroofd en waren met hun buit naar Sicyon gevlucht. Een der dieven had een geheimen weg ontdekt naar de plaats waar de muur hel laagst was; hij maakte Aratus hiermede bekend en deze beloofde ann den Syriër en diens broeders 60 talenten, wanneer zij hem in staat stelden de belangrijke stad te veroveren. Ten einde niet door hel leenen van groote sommen achterdocht te verwekken, gaf hij al zijne gouden bekers en drinkschalen, al de versiersels zijner gemalin tot pand voor de aanzienlijke door hem toegezegde som.

Met 400 Achaeërs, allen mannen van beproefde dapperheid, snelde Aratus onder aanvoering der Syriërs naar Corinthe. Met honderd zijner strijdgenooten klom bij den muur op de aangeduide plaats over en rukte hij tegen de Acropolis op, terwijl de overigen bevel ontvingen om door de poort binnen te dringen. Zeven hunner, als wandelaars verkleed, slieten de schildwachten neer en overweldigden de poortwacht.

In diepe stilte trok Aratus met de zijnen naar de Acropolis. Eene patrouille, van fakkels voorzien, kwam hun tegen en werd door de Achaeërs gedood met uitzondering van éénen, die onder het geroep: »de vijand! de vijand!" op de vlucht ging.

Dit alarm deed de burgers en de troepen op den burg ontwaken; nog was Aratus langs het steile voetpad, hetwelk naar de Acropolis voerde, niel lot den burg doorgedrongen, terwijl de driehonderd overige Achaeërs, die er evenmin in geslaagd waren in de nauwe straten den weg te vinden, zich in de schaduw van eene rots poogden te verbergen. Uit de benedenstad stormde een bevelhebber aan het hoofd zijner Macedoniërs het bergpad op, ten einde het kleine, door Aratus aangevoerde hoopje in den rug te vallen, hij kwam voorbij de rots, waaronder de drie honderd zich verborgen hadden. Onverhoeds wierpen dezen zich op de Macedoniërs, joegen hen op de vlucht en vereenigden zich met Aratus. Met een donderend krijgsgeschreeuw ondernamen zij den storm. De bezetting der Acropolis droomde in de verte niet, dat een klein hoopje bet wagen zou, de machlige stad aan te vallen, zij meenden dal de vijand met eene onweerstaanbare overmacht voor de poorten stond en gaf sidderend van vrees den burg over: met het opgaan der zon was de Acropolis in handen der Achaeërs. Terzelfder lijd kwam ook uit Sicyon een leger aan. hetwelk van Aratus bevel ontvangen had om hem te volgen. De burgers van Corinthe openden de poorten, de nog in de stad liggende Macedonische troepen werden gevangen genomen.

Sluiten