Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de oorzaak worden, dat hij door velen bewonderd en in zijne waarde als rechtschapen man en voortreffelijk leeraar erkend werd.

Socrates wenschte zelfs niet naar vrijspraak, hij had vast besloten, indien hel wezen moest, zijn leven voor zijne zaak ten olïer te brengen en gebruikte daarom geen der middelen, waardoor andere aangeklaagden de rechters gunstig voor zich trachllen te stemmen. In plaats van een beroep te doen op het medelijden der rechters trad hij met opgeheven hoofd voor hen en verklaarde hij, dat hij, wanneer hij vrijgesproken werd, zijn onderwijs evenals vroeger voortzetten zou. «Misschien" met die woorden tot zijne rechters gericht, besloot hij zijne verdediging «gevoelt gij u beleedigd door den vastberaden toon mijner verdediging; misschien hadt gij verwacht, dal ik het voorbeeld van bijna alle aangeklaagden volgen, dat ik weenen, smeeken en om mijn leven bedelen zou. dat mijne kinderen en bloedverwanten zouden komen en hetzelfde doen. Ik heb bloedverwanten gelijk andere menschen, ik heb ook drie kinderen, maar geen hunner zal met. zulk een doel voor u verschijnen; niet uil onbeschaamdheid van mijne zijde, niet omdat, ik wensch, u met minachting te behandelen, maar alleen omdat ik zulk een gedrag als beneden mijne waardigheid beschouw; hetzij dan verdiend of onverdiend bezit ik een goeden naam, dien ik niet bezoedelen wil. Het is een schande voor Athene, wanneer geachte mannen zich verlagen, gelijk helaas! maar al te dikwijls gebeurt, door op eene onwaardige wijs de genade der rechters in te roepen. Gij, hunne rechters, moet 11 daardoor nooit laten bewegen om hen te sparen, gij moet hen wegens zulk eene eerlooze handelwijs des te zekerder veroordeelen. Ik zou mij aan misdaad schuldig maken, wanneer ik beproeven wilde, u door smeeken tot mijne zijde over te halen, het is integendeel mijn plicht u te onderrichten en le overtuigen, wanneer ik dit kan. Gij hebt gezworen, bij het vellen van uw vonnis alleen de wet volgens uwe overtuiging toe te passen en niet de wet wegens partijbelang te verdraaien. Het is uw plicht, aan dezen eed getrouw te blijven, ik althans wil u niet tot een meineed verleiden, dat zij verre van mij. Verwacht dus van mij geene smeekgebeden, die voor mij onteerend en ten uwen aanzien misdadig en goddeloos zouden zijn. Op hetzelfde tijdstip, waarop ik op het punt sta om eene aanklacht wegens goddeloosheid te wederleggen, zal ik dat niet doen. Ik laat het aan u en aan de Godheid over, te beslissen wat het beste voor u en voor mij zal zijn."

Deze fiere zelfverdediging, zoo verhaalt Xenophon, de leerling en vriend van Socrates, droeg werkelijk het hare er toe bij om het doodvonnis uit le lokken; met eene kleine meerderheid van vijf of zes stemmen spraken de rechters het schuldig over Socrates uit.

Volgens de Alheensche rechtspleging had de beschuldigde, nadat hij schuldig verklaard was en de aanklager de straf genoemd had. die volgens zijne overtuiging hier toegepast moest worden, het recht om eene zachtere straf te vorderen; de rechters moesten uit de beide voorgestelde straffen eene keus doen. maar een derde straf mocht niet worden voorgesteld. Het belang der aangeklaagden bracht dus mede, dat zij zelf eene straf voorsloegen, welke — ofschoon minder streng dan die, welke de aanklager geëischt had, —toch streng genoeg scheen om de goedkeuring der rechters weg te dragen. Had Socrates hel voorbeeld van alle andere aangeklaagden willen volgen, dan zou het doodvonnnis ongetwijfeld niet over hem uitgesproken zijn; dit vloeit reeds voort uit de geringe meerderheid, waarmede het schuldig uitgesproken was. Maar even fier als bij zijne verdediging gedroeg de wijsgeer zich ook bij het doen van een voorstel ten aanzien van de straf.

«Welk tegenvoorstel zal ik doen?" sprak hij. «Wanneer ik zelf bepalen moest, welke behandeling ik van u verdien, dan zou ik niets anders kunnen voorstellen, dan dal gij mij beloondet met onderhoud op staatskosten in het Prytaneüm, want dat alleen verdien ik als weldoener van den slaat, als een man die zijn eigen stoffelijk voordeel verwaarloosd heeft, die vrijwillig arm

Sluiten