Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alle krachten in om den verloren burg te heroveren. De zege weifelde; geen der heide legers was in staat die te behalen, toen de schoone Sabijnsche vrouwen zich eensklaps tusschen de strijdenden indrongen. Zij smeekten hare vaders en broeders, dat deze hare echtgenooten niet zouden vermoorden, en het gelukte haar, de woede der strijders te doen bedaren.

Beide volken, zoo werd besloten, zouden voortaan tot één staat met gemeenschappelijke heiligdommen vereenigd worden. De Sabijnen bouwden tegenover de Romeinen, die op den Palatijnschen berg woonden, op de Capitolijnsche en Quirinaalsche heuvelen eene nieuwe stad, hier woonden zij, onder het bestuur van hun koning Tilus Tatius, als wapenbroeders op het nauwst met de Romeinen verbonden. Weinige jaren later werd Titur Tatius bij gelegenheid van een olfer te Lavinium gedood en van nu af huldigden de Sabijnen Romulus als hun koning. De bewoners der drie heuvels vormden te zamen ééne stad, de Sabijnen en de voormalige Romeinen smolten samen, de naam der Sabijnen, die naar hunne stad Cures ook wel Quiriten genaamd werden, werd later ook op de Romeinen in het algemeen overgedragen. Romulus, de altijd slagvaardige en strijdlustige koning, voerde zijn volk nog tot meer dan ééne zegepraal; bij streed gelukkig tegen eenige Etruscische steden. Gelijk Romulus volgens de sage de stichter der stad was, zoo dankten de Romeinen aan hem ook hunne eerste staatsregeling. Hij stelde een senaat in, die eerst uit honderd, vervolgens, na de vereeniging met de Sabijnen, uit 200 leden bestond en die hem bij het bewind met raad en daad ter zijde moest staan.

De leden van den senaat werden de vaders des volks, de patres genoemd; hierom ontvingen hunne nakomelingen den naam patriciërs; zij maakten den adel van Rome uit, terwijl het aan den adel en den koning onderworpen volk de plebejers heette; aan Romulus wordt ook de verdeeling van de burgerij in~3në tribus of stammen toegeschreven. Zij heetten Ramnes, Tities tn Luceres; de Ramnes waren de Latijnen, de Tities de Sabijnen; de beteekenis van den naam Luceres is verloren gegaan. Volgens bet gevoelen van oude geschiedschrijvers waren de Luceres Etruscen; doch meer waarschijnlijkheid bezit het gevoelen, dat de Luceres eerst uit lateren tijd, na de verwoesting vafi Alba Longa, dagteekenen en dat wij daaronder Albaansche geslachten te verstaan hebben.

Elke stam of tribus was in 10 curiën, elke curie weer in 10 gentes (geslachten) verdeeld, terwijl de familiën weer de onderdeelen der gentes uitmaakten. Alle meerderjarige patriciërs hadden het recht om in de volksvergaderingen der curiën mee te stemmen. Het oude gebruik, dal elke plebejer den een of anderen patriciër als beschermer erkennen moest, wordt door de overlevering insgelijks tot Romulus teruggebracht. De patriciër heette de patroon, de plebejer, die voor de verleende bescherming zijn patroon gehoorzaamheid schuldig was, werd de cliënt genoemd. Wij bepalen ons hier tot dit vluchtig overzicht, dewijl wij op de Romeinsche staatsregeling onder de koningen later nog terugkomen.

Romulus regeerde, naar luid der sage, van 753—71G y. C., en werd toen onder de goden opgenomen. Jupiter verleende aan Mars, die over het lot van zijn zoon bekommerd was, den troost, dat hij dezen in de rij der onsterfelijke goden plaatste. Toen Romulus bij gelegenheid van een zeker feest zijn volk monsterde, werd eensklaps de zon verduisterd en de geheele aarde in zwarten nacht gehuld. Onder het loeien van een geweldigen storm daalde Mars met zijn vurigen wagen uit den hemel neder; hij nam zijnen zoon tot zich en voerde hem naar de verblijven der goden. Vol ontzetting nam het volk de vlucht. Toen de zon weer begon te schijnen, zocht het met de meeste bezorgdheid naar zijn koning, maar een wijs man, Julius Proculus, wist het tot rust te brengen. Hem was Romulus in eene schitterende wapenrusting verschenen; de koning had hem bevolen tot de Romeinen te gaan en

Sluiten