Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hun te zeggen, dat zij, wanneer zij moedig en vastberaden bleven, tot het hoogste toppunt van menschelijke macht zouden opklimmen, en dat hij zelf als hun beschermgod Quirinus voortaan over zijn Rome waken zou. Van dezen tijd af aanbaden de Romeinen den stichter hunner stad als een god.

Latere geschiedschrijvers, in wier oog de hemel vaart van Romulus toch al te onwaarschijnlijk was, hebben beproefd de sage tot geschiedenis te vervormen, doch zonder daardoor aan hunne mededeelingen geloofwaardigheid te kunnen schenken. Zij verhalen, prozaïsch genoeg, dat Julius Proculus het sprookje van Romulus' hemelvaart slechts uitgevonden had, om het volk gerust te stellen, doch dat de koning, die zich door zijne gestrengheid tegenover den adel en zijne toegevendheid jegens het eigenlijke volk bij den senaat gehaat gemaakt had, door de senatoren in eene hunner vergaderingen vermoord was. Ten einde den schandelijken moord te bedekken, hadden de senatoren uit vrees voor de wraak des volks het lichaam in stukken gehouwen en elk hunner had een deel daarvan onder zijn toga weggedragen.

Nadat Romulus onder de goden opgenomen was, zoo verhaalt de sage verder, verliep er een geheel jaar, eer de Romeinen een nieuwen koning kozen. De vaders der stad voerden het bewind, om de vijf dagen ging dit op de aanzienlijkste mannen van den senaat over. Maar het volk had met zulk een regeeringsvorm geen vrede; het begreep zeer goed, dat het in plaats van één honderd meesters gekregen had en drong dus met kracht op de keus van een nieuwen koning aan.

Doch wie zou koning zijn? Zou hij gekozen worden uit de oude Romeinen of uit de Sabijnen ? Over deze vraag ontstond een hevige twist, doch eindelijk trollen de partijen een vergelijk, volgens hetwelk de Romeinen den koning uit de Sabijnen zouden kiezen.

De keus viel op Numa Pompilius, den schoonzoon van Tatius, die zich reeds sinds lang wegens zijne wijsheid en gematigdheid grooten roem bij de bewoners der pas gestichte stad had verworven. Numa Pompilius was niet eerzuchtig; voordat hij besloot, zich de koninklijke waardigheid, waaraan zoovele bezwaren verbonden waren, te laten welgevallen, ondervroeg hij de goden. Met een der augurs — de priesters, die den wil der goden uit de vlucht der vogels wisten op te maken — besteeg hij den burg. Hier zette, hij zich op een steen, het gelaat naar het zuiden gericht, terwijl de augur aan zijne linkerzijde stond. Met zijn kromstaf beschreef de priester van het oosten naar het westen een kring in de lucht, op die wijze duidde hij de hemelstreek aan, waaruit hij een gunstig teeken van de goden verwachtte; vervolgens nam hij den kromstaf in de linkerhand, legde de rechter op het hoofd des konings en bad: «Wanneer het Uw wil is, Vader Jupiter, dat Numa Pompilius, op wiens hoofd mijne hand rust, koning van Rome zij, geef dan een onbedriegelijk teeken van uw welbehagen." De teekens kwamen, gelijk de augur ze wenschte, en thans stond Numa's besluit vast om de regeering te aanvaarden.

Was Romulus van top tot teen een krijgsman geweest. Numa Pompilius was een vorst des vredes. Gelijk de sage aan Romulus de stichting van de stad, na zijn dapper wapenfeit tegen Amulius, en de handhaving van Rome's macht tegen de naburige volken toeschrijft, zoo maakt zij Numa Pompilius lot den grondlegger van al de staatkundige instellingen, waardoor hel vreedzaam bestuur van den staat en bovenal de bloei van den godsdienst verzekerd werd.

Tïe sage — meermalen merkten we het reeds op — springt op de willekeurigste wijze met namen en jaartallen om; de meest verschillende tijdperken en personen verwart zij met elkander. Overeenkomstig dit haar eigenaardig karakter heeft zij ook al die staatkundige instellingen, welke ongetwijfeld in de meest verschillende tijdperken overeenkomstig de behoeften der natie ingevoerd zijn, aan één persoon, aan Numa Pompilius toegeschreven. Zij verhaalt, dat de wijze Pythagoras (die ongeveer 200 jaren later leefde!) de leermeester van den vredelievenden koning is geweest; inaar menschelijke wijsheid

8*

Sluiten