Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«lat zij vrij was van allen slavenarbeid, b. v. koren malen en koken, dal zij als huismoeder hel beslier voerde, het opzicht over de slavinnen uitoefende en het huis in orde hield. Doch de wet verleende den heer des huizes onbeperkte macht over haar; hij mocht haar zelfs aan lijf en leven stratlen. Hetzelfde recht bezat de vader des gezins ook ten aanzien van zijne slaven.

Tot het huisgezin behoorden behalve de familie ook de cliënten; zij waren geene slaven, maar hoorigen, grootendeels ontslagen knechten, wien hun heer eene soort van vrijheid geschonken had, of vluchtelingen uit hun land, die in dat huis eene schuilplaats gezocht en zich onder de bescherming van den patroon gesteld hadden. De cliënten waren wel vrij, maar stonden toch in eene afhankelijke betrekking tot den heer des huizes; tegenover den staat bezaten zij geene rechten; zelfs hun recht om naar welgevallen hun vermogen te besturen was beperkt, want de patroon mocht in zekere gegeven omstandigheden zich hun vermogen óf geheel óf gedeeltelijk toeëigenen.

De Romeinsche staat bestond oorspronkelijk uit den kring der patres familias, der patriciërs (zonen der patres), zij alleen bezaten het volle burgerrecht. De familiën sloten zich overeenkomstig hare verwantschap in grooter groepen aaneen, tien of williclit dertig harer vormden een geslacht, elke tien geslachten eene curie, elke tien curiën een stam.

De oude bevolking van Rome bestond uit de drie stammen der Rainnes, Tities en Luceres, de staat berustte dus eigenlijk op de familie, die den grondslag der Romeinsche maatschappij uitmaakte, gelijk ook het staatsrecht op het familierecht was gebouwd.

De patres kozen voor hel bestuur der gemeenschappelijke aangelegenheden een bestuurder, rex of koning genaamd; dezen beschouwden zij als den vader des volks, als het hoofd van het groote gezin van den staat; hem droegen zij de volle vaderlijke macht over zijne onderdanen op.

De koning verkreeg al zoo zijn recht op de regeering niet door geboorte, maar alleen door de vrije opdracht, door de keus der burgers. Doch zoodra hij eenmaal gekozen was, bezat hij zijne waardigheid zijn leven lang, dan was hij onbeperkt gebieder, almachtig zoowel in vredes- als in oorlogstijd. Hij alleen mocht in het openbaar het woord tot de burgers richten, de schatkist van den staat was aan zijn beheer toevertrouwd, hij bezat het recht om zijne onderdanen te straflen, gelijk een vader dit zijne kinderen doet.

Natuurlijk was hem alleen ook de rechtspraak toevertrouwd; hij kon die laak óf zelf volvoeren óf aan een door hem benoemd beambte opdragen. Hij legde straffen op, waartoe ook stokslagen bij eenig vergrijp in den krijgsdienst behoorden, hij beschikte met onbeperkte macht over leven en dood. Waar hij een doodvonnis had uitgesproken, mocht de veroordeelde alleen mei zijne toestemming een beroep doen op de genade des volks; hij had zelfs het recht om een burger van de vrijheid Ie berooven en hem buitenslands als slaaf te doen verkoopen; het was hem daarenboven vergund naar eigen goedvinden een oorlog met de naburen te beginnen, waarin hij de natuurlijke aanvoerder, de opperbevelhebber des volks was.

De koninklijke macht werd door geene enkele wetsbepaling beperkt, zij was onbegrensd, gelijk de macht des vaders over zijne zonen, alleen de gewoonte schreef haar hier en ginds eenige perken voor.

De gewoonte vorderde, dat de vader bij gewichtige aangelegenheden de naaste bloedverwanten en vrienden te zamen riep, om met hen te raadplegen doch hij was niet aan dien raad gebonden, hij moest dien alleen aanhooren. Zoo ook de koning. De raad der oudsten, de senaat, stond hein ter zijde; de koning riep hem bijeen, wanneer liet hem goeddacht, en legde hem zijne vragen voor; geen raadsheer mocht ongevraagd zijn gevoelen uitspreken, gelijk de senaat niet op eigen gezag bijeenkomen mocht. Zoo had de senaat volgens de letter der wet slechts eene ondergeschikte beteekenis, maar inderdaad werd het als een misbruik van de koninklijke macht beschouwd, wanneer bij ge-

Sluiten