Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werd hel aantal der plebejers nog vermeerderd, vele Latijnen verhuisden na de verovering van hunne steden naar Rome. Hier werden zij wel tot Romeinsche burgers verklaard, maar niet onder de patriciërs opgenomen, in de volksvergaderingen mochten zij niet meestemmen en evenmin eenig openbaar ambt bekleeden. Zij droegen den naam van Romeinsche burgers, zonder de daaraan verbonden rechten te bezitten, inderdaad waren zij Romeinsche onderdanen. geene Romeinsche burgers geworden.

Het kon niet uitblijven of de menigte der plebejers moest in verloop van tijd een gewichtigen invloed op de staatszaken uitoefenen, ook voordat zij daartoe het recht verkregen had. Dit had des te eerder plaats, naarmate velen onder de plebejers rijke en aanzienlijke mannen waren, patriciërs der onderworpen Latijnsche steden, mannen van oudadellijke afkomst en groot aanzien, die nog in het bezit waren van uitgestrekte landerijen.

De plebejers hadden geen deel aan het staatsbestuur, maar zij waren ook niet verplicht 0111 de wapenen voor den staat te voeren; gelijk alle rechten alleen den patriciërs toekwamen, zoo hadden deze uok alleen voor de weerbaarheid des lands te zorgen.

De menigvuldige oorlogen dunden het aantal der patriciërs, terwijl dat der plebejers onophoudelijk aangroeide. De hervorming van Servius Tullius had in den grond der zaak len doel, aan dezen verkeerden toestand een einde te maken en de plebejers tot den krijgsdienst te verplichten. Eigenlijke rechten verleende deze hervorming hun niet. Toch deed zij hare werking gedurende vele eeuwen gevoelen, daar zij den plebejers eene wettige plaats in den staal aanwees. Daar de plebejers soldaten moesten worden, werden zij ongetwijfeld ook officieren, centurions en oorlogstribunen. Het bewustzijn, dat zij plichten jegens den staat te vervullen hadden, wekte, gelijk van zelf spreekt, in hen ook den wensch naar het bezit van daaraan geëvenredigde rechten. De latere pogingen der plebejers om zich eene volkomen vrijheid te verwerven, werden alzoo door de hervorming van Servius Tullius voorbereid en uitgelokt.

Een hoogst belangrijken invloed oefende de volksgodsdienst der Romeinen op de ontwikkeling van hun staatkundig leven uit. Ook ten aanzien van dit punt is uit de allervroegste tijden schier geen enkel bericht tot ons gekomen, en alles wat wij doen kunnen is uit het bekende tot het onbekende te besluiten. Doch op die wijze komen wij vaak tot verrassende uitkomsten.

Het is nauwelijks aan twijfel onderhevig, dat de Romeinen in den allervroegsten tijd een natuurgodsdienst hadden; dat zij. hoewel dan ook onder bepaalde namen, de natuurkrachten aanbaden, en dat hieruit de voorstelling van hunne godheden als persoonlijke wezens zich eerst later ontwikkelde. Hiervoor pleit ook de standvastige gewoonte des volks om bepaalde verschijnselen uit het dagelijksche leven, menschelijke eigenschappen en deugden zich als personen te denken en die als godheden te vereeren. Zoo had het volk zijne goden van den schrik, den angst, den wellust, de trouw, de eer, de kuischbeid, enz. Dat in den allervroegsten tijd de goden nog niet als persoonlijke wezens in menschelijke gedaante vereerd werden, blijkt uit de wijze waarop zij werden aangebeden. Zoo vermeldden wij reeds, dat Jupiter Terminalis in de gedaante van een grenssteen vereerd werd. Tarquinius Superbus liet, gelijk onze lezers zich herinneren, het eerste standbeeld voor Jupiter oprichten; hierin drukte hij slechts het volksgeloof uit, hetwelk reeds tot eene vereering van persoonlijke godheden was overgegaan.

De aanraking, waarin de Romeinen met de Grieken kwamen, droeg hiertoe ongetwijfeld in groote male het hare bij. De Grieksche goden gingen allengs in den Romeinschen volksgodsdienst over, maar daarmede niet de hoog dichterlijke godsdienstige denkbeelden, waardoor de Grieken zich boven andere volken onderscheidden. De Romeinen ontvingen wel de uiterlijke voorstelling van de godheden, doch zonder zich te kunnen indenken in het onzichtbare geestelijk

Sluiten