Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Romeinschen godsdienst treedt op zeer aanschouwelijke wijze aan het licht (n de voorschriften, waaraan de hoogste opperpriester, de Hamen dialis, onderworpen was en die ons uit eene geloofwaardige bron zijn overgeleverd. Hij mocht nooit op een paard rijden, nooit een strijdvaardig leger zien, het was hem verboden een doorboorden ring te dragen; alleen heilig vuur mocht uit zijn huis gedragen worden, elke geboeide, die zijne woning betrad, was vrij. In het gansche gewaad des priesters mocht geen knoop zijn; het was hem verboden, rauw vleesch, eene geit, klimop of een boon aan te raken of zelfs maar den naam dezer voorwerpen te noemen. Onder den blooten hemel mocht hij zijn priesterlijken hoed niet afzetten, en wanneer hij stierf mocht liij dien niet op het hoofd houden. Het was hem niet vergund, ooit drie dagen aehtereen in een vreemd bed te slapen.

Een even lastig ceremonieel werd bij de auspiciën in acht genomen. Wanneer men aan den hemel een auspicium houden zou, werd met de grootste zorg de plaats daartoe gekozen. Het was voorts van het grootste belang, dat geene toevallige omstandigheid stoornis bracht in de heilige handeling, het diepste stilzwijgen moest daarbij in acht worden genomen. Wanneer de stoel van den augur wankelde of wanneer deze den kromstaf vallen liet, was daardoor de heilige handeling afgebroken. Met een aantal voorzorgsmaatregelen en voorgeschreven gebruiken werd vervolgens de hemelstreek aangeduid, waaruit het teeken verwacht werd.

De augur moest zich daarbij van de volgende formule bedienen:

«Mijn heilig gebied en zijne grenzen zullen zoo zijn, als ik ze op verstaanbare wijze met mijne tong noemen zal. Die oude boom. hij moge dan zijn welke hij wil. dien ik mij bewust ben te noemen, zal het gebied en de grenzen ter linkerzijde bepalen; gindsche oude boom, hij moge dan zijn welke hij wil, dien ik mij bewust ben te noemen, zal het gebied en de grenzen ter rechterzijde bepalen. Daar lusschen trek ik de grenzen van mijne heilige ruimte door lijnen, door den blik van mijn oog, door innerlijke aanschouwing, gelijk ik mij daarvan volkomen bewust ben." *)

Met dezelfde angstvalligheid, waarvan de omslachtigheid dezer formule getuigt, werden alle volgende ceremoniën in acht genomen. Waren deze naar eisch volbracht, dan had de mensch zijn plicht gedaan en de goden waren gehouden, zich nu ook aan de teekenen te binden. Ja. zij waren daaraan zelfs gebonden, wanneer de augur, hetzij bij vergissing of zelfs met opzet, ten onrechte een gunstig teeken aan het volk had aangekondigd. Zij mochten in dal geval wel den dwalenden of bedriegelijken augur straffen, maar tegenover het volk hadden zij geen recht om in strijd te handelen met het eenmaal gegeven gunstig teeken'.

Door deze opvalling van den godsdienst als een verdrag tusschen god en den mensch, verkregen de auspiciën voor den staat eene belangrijkheid, welke zij bij de Grieken nooit hadden bezeten. Hoewel ook deze bij bijzondere gelegenheden de goden ondervroegen, toch riepen zij slechts den raad der godheid in, en uit de teekenen aan den hemel poogden zij den wil der goden uit te vorschen; de Romeinen daarentegen hielden geene volksvergadering, nooit trok een veldheer ten strijde, geen staatsdienaar aanvaardde zijn ambt, niets belangrijks, in één woord, werd ondernomen, zonder de auspiciën te raadplegen. Het ontvangen antwoord gold niet zoo zeer als eene inlichting omtrent den wil der goden, het auspicium werd gehouden om de goden door het vervullen van de hoogst lastige plechtigheden eenigermate tot hel verleenen van hunne toestemming te dwingen, hierom moest men daarbij met angstvallige oplettendheid te werk gaan, hieruit alleen werd de verplichting deigodheid tot het geven van een gunstig antwoord geboren.

Het vloeit uit den aard der zaak voort, dat de priesters, die alleen het

*) Geschiedenis van Rome door Dr. Carl Peter.

Sluiten