Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een enkel persoon daarmede was bekleed, en dat de consuls verplicht waren om op hun tijd af te treden en zich door andere personen te doen vervangen.

Hierdoor hadden de patriciërs zich feitelijk van de hoogste macht in den staat meester gemaakt. Rome was van nu af eene adellijke republiek. De eerste consuls waren de bevrijders van de stad: Lucius Junius Brutus en Lucius Tarquinius Collatinus.

Reeds gedurende de eerste jaren van haar bestaan bad de jeugdige republiek meer dan één zwaren strijd te voeren, zoowel met binnenlandsclie als met buitenlandsche vijanden. Livius verhaalt, dat de hurgeis onte\reden waren, dewijl één der consuls tot het verbannen koninklijke geslacht behoorde. Zij staken eerst in kleine, vervolgens in grooter groepen de hoofden bijeen en zeiden, dat het den Tarquiniërs niet mogelijk was als ambtelooze burgers te leven, dat hun naam alleen voor de vrijheid gevaarlijk was.

Weldra deelde deze stemming zich aan de geheele burgerij mede en ook Brutus bemerkte, dat er onder het volk eene zekere gisting bestond. Hij riep de volksvergadering bijeen. Met ernstige, manlijke taal richtte hij het woord tot het volk, terwijl hij zonder omwegen den volkswensch uitsprak; hij wendde zich, namelijk, tot zijn medeconsul en smeekte dezen, dat hij vrijwillig het consulaat neerleggen en Rome verlaten zou, om de burgerij van hare bekommering te ontheffen. «Verlos de burgers van eene wellicht ijdele vrees!" riep hij hem toe, »zij gelooven nu eenmaal, dat alleen met het Tarquinische geslacht de koninklijke waardigheid voor goed uit Rome zal verbannen worden."

Tarquinius Collatinus was eerst zeer verbaasd over zulk een onverwacht voorstel; doch toen de burgers de woorden van Brutus bevestigden, toen ook zijn schoonvader Spurius Lucretius hem daarom smeekte, besloot hij, zich naar bet algemeen geuit verlangen te schikken; hij legde zijn ambt neder en vertrok met zijn geheele vermogen naar Lavinium.

Het volk bepaalde overeenkomstig een senaatsbesluit en op voorstel van Brutus, dat alle leden van het geslacht der Tarquiniërs ten eeuwigen dage uit Rome zouden verbannen zijn. Overeenkomstig Brutus' wensch werd Publius Valerius, die hem bij het verdrijven van den koning zoo trouw ter zijde had

gestaan, tot consul gekozen.

De vrede was voor een oogenblik weer hersteld, doch met groote bekommering sloegen de Romeinen den blik op hunne nabillen, want zij waien overtuigd, dat de Tarquiniërs met de hulp van buitenlandsche vijanden zouden trachten zich opnieuw7 van den troon meester te maken. Doch nog ge\aailijker dan zulk een aanval van buiten was eene samenzwering, welke in den boezem der stad zelf gesmeed werd. .

Onder de jonge patriciërs waren er velen, die aan de vroolijke drinkgelagen van des konings zonen hadden deelgenomen. Zij waren ontevreden over de° verbanning van hunne vrienden. «Vroeger," zoo spraken zij, »was het met de zaken Ie Rome veel beter gesteld dan nu. De koning was een mensch, die wel boos worden maar ook vergiffenis schenken kon, bij wien men genade en verschooning vond, doch de wetten zijn doove, levenlooze dingen, wel voordeelig voor de zwakken maar niet voor de machtigen.

De trotsche zonen der patriciërs waren verstoord, dewijl voortaan de wet binnen Rome heerschen zou en toen kort hierop gezanten van Tarquinius Superbus te Rome verschenen, om de teruggave van de goederen der Tarquiniërs te verzoeken, maakten de jonge patriciërs van deze gelegenheid gebiuik om met de gezanten eene samenzwering op het touw te zetten; zij overlegden met hen, boe men den koning liet best bij nacht heimelijk in de stad zou kunnen terugvoeren. De zonen der aanzienlijkste burgers .-zelfs die van den consul Brutus, waren in de samenzwering gewikkeld.

In eene nachtelijke bijeenkomst kwamen de jongelingen tot bet besluit om aan de gezanten, die naar den koning zouden terugkeeren, een brief voor Tarquinius mee te geven. Een slaaf beluisterde hen. snelde naar Brutus en

Sluiten