Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

~

aan het doel, waarmede hij benoemd was; hij behaalde de zegepraal in den Sabijnschen oorlog. Tot dusver was de vrede met de Lalijnsche steden niet verstoord; doch toen de Latijnen zich hersteld hadden van de verliezen, in den Etruscischen oorlog geleden, meenden zij sterk genoeg te zijn om thans insgelijks van hunne zijde aanvallenderwijze te werk te gaan. Zij sloten een verbond met de Volscen. De verdreven koning Tarquinius Superbus aanschouwde met blijdschap het ontbranden van dezen oorlog; hij hoopte daardoor op den Romeinschen troon hersteld Ie zullen worden. Met zijn schoonzoon Oclavius Mamilius en zijne zonen, aan wie zich Romeinsche ballingen aansloten, voegde hij zich bij de Latijnen, om mei hen tegen Rome op te trekken.

Opnieuw scheen het gevaar zóó dreigend, dat men tot de benoeming van een dictator, Aulus Postumius, overging. Dezen gelukte het, den vijand tot een slag te dwingen, voordat de Lalijnen en Volscen hunne strijdkrachten vereenigd hadden; het slagveld was bij het meer Regillus, in de nabijheid van Tusculum, gelegen. De Romeinen behaalden eene schitterende zegepraal, twee zonen en de schoonzoon van Tarquinius sneuvelden.

Den ouden koning ontzonk, nadat hij al zijne zonen in den strijd tegen Rome had zien vallen, de moed tot het ondernemen van verdere pogingen om den verloren troon te heroveren. Hij bracht zijne laatste levensjaren bij den tyran Aristodemus van Cumae door; men verhaalt, dat hij als een grijsaard van meer dan 90 jaren in Campanië gestorven is.

De overwinning bij het meer Regillus verschafte den Romeinen den vrede met de Latijnen, welke zelfs in het jaar 493 door een aanvallend en verdedigend verbond gevolgd werd. Hoe diep echter de macht van den staat gezonken was, blijkt uit de omstandigheid, dat de grondslag van dit verbond niet de opperheerschappij van Rome, maar eene volkomen gelijkheid van rechten en plichten der beide partijen was.

De oorlog met de overige naburige volken duurde inmiddels voort, de deuren van den Janustempel bleven onafgebroken geopend, want de Sabijnen, de Volscen en de Aequi brachten beurtelings het jeugdig gemeenebes. in gevaar. Doch nog ernstiger dan door buitenlandsche vijanden werd de staat door innerlijke tweespalt bedreigd.

Zoolang koning Tarquinius Superbus leefde waren de patriciërs er op uit geweest het volk mei de afschaffing van de koninklijke waardigheid te verzoenen door zich zacht en voorkomend te gedragen. Zij vreesden hunne regeering drukkend te maken, want lichtelijk konden dan de tot weerstand geprikkelde plebejers den verdreven koning terugroepen, om in vereeniging met hem zich op de trotsche patriciërs te wreken. Doch thans was Tarquinius dood; hij had geene zonen, geen enkelen erfgenaam nagelaten, die de minste aanspraak op de koninklijke waardigheid kon doen gelden. De patriciërs achtten het daarom niet langer noodig, zich te matigen, zij konden onbekommerd van hunne macht in den staat partij trekken om aan hunne natuurlijke neiging tot dwingelandij bot te vieren.

Zoolang een koning aan het hoofd van den staat gestaan had, waren patriciërs en plebejers hem evenzeer onderdanig geweest; de koning regeerde, het volk gehoorzaamde! Wel was de koning zelf een patriciër, evenals de consuls, doch daar hij het oppergezag voor zijn leven bezat, kon hij zich van de patriciërs onafhankelijk gevoelen en wanneer dezen somtijds weigerden zijne bevelen te gehoorzamen, dan zocht hij natuurlijkerwijze zijn steun bij het volk.

Geheel anders stonden de consuls tegenover de patriciërs; door dezen verkozen, slechts voor een jaar met het oppergezag bekleed, konden zij zich niet buiten hun eigen stand plaatsen, het gevoel van gemeenschap met den adel moest in hun binnenste steeds sterker zijn dan hun trots op hunne tijdelijke macht. De adel koos natuurlijk uit zijn midden slechts de zoodanigen tot het hoogste staatsambt, van wie hij wist, dat zij den adel in het bezit zijner voorrechten zouden handhaven; had hij zich een enkele maal in zijne keus bedrogen

Sluiten