Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bevestigd: Genucius was door een sluipmoordenaar gedood. De onschendbaarheid, den tribuun door de wet gewaarborgd, had hem niet voor de wraak des adels kunnen beveiligen. In hunne opgewonden blijdschap beroemden de patriciërs zich luide op die schandelijke daad; door het inboezemen van vrees, zoo spraken zij openlijk, moest men de macht der tribunen beteugelen en bijna scheen bet alsof zij gelijk hadden, want geen tribuun waagde het, de machtige moordenaars tot verantwoording te roepen.

Onmiddellijk na deze schandelijke zegepraal wilden de consuls uit de plebejers eene lichting voor den krijgsdienst hellen; zonder tegenspraak te vinden zetten zij de zaak door, niemand durfde zich tegen de lictoren verzetten. Slechts een voormalig tribuun Publilius Volero, die vroeger centurio geweest was, kwam tegen het bevel in verzet. Hij riep de bescherming der tribunen in. doch dezen waren bevreesd voor de machtige patriciërs en de consuls geboden thans den lictoren, den weerspannige de kleederen van het lijf te scheuren en hunne roeden te gebruiken. Publilius Volero was de man niet om zich ongestraft te laten mishandelen, fier wendde hij zich lot het volk, en riep, terwijl hij de lictoren, die zich van hem meester wilden maken, inet kracht terugstiet, de plebejers om bescherming aan: »Te hulp, wapenbroeders! Wacht niet op de tribunen, zij hebben zelf uwe hulp van noode, zij zijn bang. dat zij door de patriciërs in hun bed vermoord zullen worden." Met die woorden wierp hij zich onder den dichten volkshoop. Hij vond bescherming. De woedende volksmenigte bereidde zich op tegenweer, alsof het een oorlog gold; de consuls waagden het niet, den geduchten storm liet hoofd te bieden; zij zagen de lictoren mishandeld, de roedenbundels verbroken, en moesten zelf van het Forum naar het raadhuis vluchten.

De senaat werd bijeengeroepen; in de hevigste spanning beraadslaagden de vaders over hetgeen er te doen stond. Eeuigen drongen aan op het nemen van strenge maatregelen, doch de meésten vreesden, daardoor het volk nog meer te zullen verbitteren. Zij lieten den tegenstand van Publilius Volero ongestraft, en daardoor kwam het thans niet tot een strijd tusschen de patriciërs en plebejers. Publilius Volero bad door zijne vermetele daad zulk een roem bij het volk verworven, dat bij bij de eerstvolgende keuze tot volkstribuun benoemd werd.

Algemeen verwachtten de patriciërs, dal hij thans zijne macht misbruiken zou, om de consuls van het vorige jaar te vervolgen, doch Publilius vergaf gaarne oin den wil van het algemeen belang de persoonlijke beleediging, hem aangedaan. 11 ij gebruikte zijne macht om een nieuwe wetsvoordracht in te dienen, die in het vervolg van het hoogste belang worden zou. Hij stelde aan het volk voor, dat voortaan de tribunen in de tribuscomitiën en dus door de plebejers zelf zouden gekozen worden.

Hiermede was den adel alle mogelijke aandeel aan de keuze van deze machtige volksbeambten ontnomen. Tevergeefs wendde bij zich tot de tribunen zelf; dezen lieten zich geen vrees aanjagen; het ingediende wetsvoorstel werd door hen goedgekeurd. Jaren achtereen duurde de strijd voort; de diensttijd van Volero was verstreken voordat hij zijn doel bereikt had, doch ook het volgend jaar werd hij weder benoemd. Thans moest de strijd eindelijk beslist worden. De patriciërs bereidden zich tot een ernstigen kamp voor, en verkozen daarom een man tot consul, op wiens onbuigzamen trots zij rekenen konden, Appius Claudius, die denzelfden naam droeg als zijn vader; tot ambtgenoot gaven zij hem Titus Quintius.

De beide consuls waren zeer verschillend van gemoedsaard en inzichten; Titus Quintius was zachtmoedig, verdraagzaam, een vriend der burgers, Appius Claudius was een trotsche edele, die het gemeene volk verachtte en haatte. Reeds in liet begin van het jaar werd de wet van Publilius dan ook opnieuw in behandeling gebracht; de tweede tribuun Laetorius vatte de zaak met ernst en veerkracht op.

Sluiten