Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iiel daarentegen zou vallen, de plebejers door hel inwilligen van hunne billijke wenschen en door eene zachte behandeling te verzoenen, ja tot groote dapperheid te ontvonken, bleek uit het voorbeeld van den tweeden consul Quintius, die zijne soldaten vriendelijk behandelde en met hen schitterende zegepralen op de Aequi bevocht.

Nadat de consuls hun ambt neergelegd hadden, werd Appius Claudius voor het volksgericht gedaagd. Als een echt Romeinsch patriciër verscheen lnj daar in zulk eene trotsche, uitdagende houding, alsof hij de aanklager en niet de aangeklaagde was. Ofschoon de geheele adel zich voor hem ijverig in de bres stelde, zou bij toch ongetwijfeld veroordeeld zijn geworden, had niet eene ziekte, nog voor het vellen van het vonnis, in de gevangenis een einde aan zijn leven gemaakt.

Eenige jaren verliepen er, zonder dat de strijd over de rechten der beide standen nader aan zijne beslissing werd gebracht; voortdurende oorlogen met de Volscen en Aequi hielden hel volk bezig, welks moed in het jaar 463 door eene zeer smartelijke beproeving, door eene met vreeselijke woede heerschende pest gefnuikt werd. De ziekte maaide aanzienlijken en geringen weg, de beide consuls werden haar slachtoffers, van de vijf volkstribunen stierven er drie, van de senatoren een vierde deel en in dezelfde verhouding werden ook de lagere standen geteisterd. Evenals bij de pest te Athene (zie Dl. I, blz. 856) werden ook te Rome alle banden van wet en recht losgesnoerd, zoolang de vreeselijke ziekte woedde. Toen zij eindelijk verdween, bleef toch zoowef bij het volk als bij den adel nog lang de verwildering, de verbastering van zeden bestaan, welke in dien lijd zich geopenbaard had.

De oude strijd werd thans weder opgevat en van heide zijden mei nog grooter verbittering gevoerd. Hij liep in de laatste jaren bovenal over de staatkundige rechten der plebejers, over de afschaffing van die welsbepalingen, welke beide standen zoo scherp van elkander scheidden, dat zij in zekeren zin konden beschouwd worden als twee verschillende volken, die dezelfde stad bewoonden.

Echtverbintenissen tusschen patriciërs en plebejers waren voor de wet niet geldig; kinderen, uit zulke huwelijken gesproten, werden niet als weüig beschouwd. De plebejers begrepen te recht, dat zij hierdoor zeer achteruitgezet werden. Doch nog lastiger en gevaarlijker was voor hen de verschillende rechtsbedeeling, waaronder zij en de patriciërs leefden. Bij alle twistpunten met de patriciërs waren zij onderworpen aan wetten, welke zij niet eens kenden, want de eersten beschouwden de kennis van het recht als hun uitsluitend \oorrech(; voor hen alleen waren de oude overleveringen en de ceremonieboeken, welke te Rome de bron van alle rechtskennis uitmaakten, toegankelijk. Zij alleen verkeerden met de goden door de auspiciën en offeranden; uit hen werden de senatoren en consuls gekozen; zij waren oppermachtig in de curiënvergaderingen, waarin de voor geheel het volk verbindende besluiten genomen werden, terwijl de besluiten der tribusvergaderingen, de plebicieten, eerst na bekrachtiging door den senaat en door de curiën kracht van wet bezaten.

Sinds de plebejers door de instelling van het ambt van volkstribuun eene bepaalde macht in den staat ontvangen hadden, moesten zij er natuurlijk op bedacht zijn die macht verder uit te breiden en aan te dringen op het uit den weg ruimen van de scheidsmuren, die hen van de patriciërs afzonderden. Bovenal moest het hun vurigste begeerte zijn, wetten vast te stellen, die voor beide standen geldig zouden zijn, opdat de patriciërs daardoor van alle gelegenheid tot misbruik van hunne macht beroofd zouden wezen. Slechts door eene geschrevene, algemeen bekende wetgeving zou men dit doel kunnen bereiken.

De tribuun Gajus Terentillus Arsa was de eerste, die in het jaar 462 met een wetsvoorstel in dien geest optrad: hij wilde, dat eene commissie door de plebejers benoemd zou worden, om voor de samenstelling van zulke

Sluiten