Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Appius Claudius de jonkvrouw slechts iii hel huis van zijn cliënt wilde brengen, om haar daar te ontêeren, maar zij durfden toch geen tegenstand bieden. Slechts Publius Nurnitorius, de oom van het meisje, en Icilius, haar verloofde, die in aller ijl geroepen waren, verzetten zich tegen Appius. Toornig riep Icilius uit: »Ik ben bereid om de vrijheid mijner bruid met mijn leven te verdedigen". Hij zou ongetwijfeld zijn woord hebben gehouden. Het volk juichte den stoutmoedigen jongeling loe, een gevecht dreigde te ontbranden, doch zoo ver wilde Appius 'het nog niet laten komen. Hij verklaarde, dat het meisje tot den volgenden dag vrij mocht blijven. Was de vader in dien tijd niet verschenen, dan zou zij aan haar meester worden uitgeleverd.

In aller ijl zond Icilius boden naar het leger, om Virginius te halen, met lossen teugel joegen deze voort. Op hen volgden andere boden, welke Appius Claudius afgezonden had, met het bevel om aan Virginius geen verlof te verleenen. Zij kwamen te laat in het kamp aan, Virginius was reeds op weg naar Rome. Met het krieken van den dageraad trad hij zijn huis binnen en toen het dag geworden was voerde hij zelf in rouwgewaad zijne dochter naar de marktplaats voor het gericht.

Eene groote volksmenigte was bijeen, toen Appius Claudius den rechterstoel beklom; thans moest hij, meenden allen, den vader recht doen wedervaren. doch zonder zich aan recht of wel te bekreunen, wees hij Virginia als slavin aan zijn cliënt toe. In het eerste oogenblik stonden de aanwezigen roerloos van ontzetting over zulk eene afschuwelijke daad; eene diepe stilte lieersehte, doch toen Marcus Claudius door den kring der vrouwen wilde heendringen, om de jonkvrouw te grijpen, toen barstten dezen in een luid klaaggeschrei uit, toen riep Virginius, de gebalde vuist tegen Appius opheffend: «Niet aan u, Appius, aan Icilius heb ik mijne dochter verloofd; lot zijne echtgenoot, niet lot uw bijzit heb ik haar opgevoed; of deze lieden hier uwe schandelijke daad lijdelijk zullen aanzien weet ik niet, doch de mannen in de legerplaats, die de wapenen dragen, zullen haar, hoop ik, niet ongestraft laten .

De vrouwen drongen Marcus Claudius terug. De heraut gebood stilte. Appius Claudius geraakte bijna buiten zich zelf van woede over dezen nieuwen tegenstand legen zijne bevelen. Hij gebood den lictoren, het volk uit elkaar Ie drijven en plaats te maken, opdat de eigenaar der slavin haar zou kunnen grijpen. Zoo gevreesd had de tyran zijn naam gemaakt, dat de menigte verschrikt achteruit week. ..

Virginia stond eensklaps alleen, een weerlooze prooi harer vijanden. De vader, die nergens uitkomst zag. nam in wanhoop tot een laatst maar vreeselijk redmiddel de toevlucht. Schijnbaar kalm smeekte hij met \riendclijke woorden: "Vergeef het aan een bedroefden vader, Appius, zoo hij op tooinigen toon u heeft toegesproken, maar vergun mij, dat ik nog eens in tegenwoordigheid der jonkvrouw hier hare voedster ondervraag, hoe de zaak zich toegedragen heeft, opdat ik kalmer van hier ga, wanneer ik mij ten onrechte voor haar vader gehouden heb". Appius stond dit verzoek toe.

Virginius voerde zijne dochter ter zijde naar een der slachterswinkels, die op de markt stonden; eensklaps ontrukte hij een der slachters zijn scherp mes en stiet dit het schoone meisje in de borst met de woorden: «Mijne dochter, slechts op deze wijze kan ik u voor slavernij behoeden!" Woedend keerde hij zich tot Appius met den uitroep: »Op u, Appius, en op uw huis laad ik deze bloedschuld!" Met het bloedige mes baande hij zich een weg door de lictoren, die het bevel van Appius om hem te grijpen, niet kenden nakomen. Hij bereikte de poort en spoedde zich naar de legerplaats tot zijne

krijgsmakkers. ,

Icilius en Nurnitorius hieven het ontzielde lichaam van den grond op, zij toonden liet aan het volk en eene teugellooze woede maakte zich bij den aanblik van het bloedige lijk van de plebejers meester. Thans vreesden zij den tyran niet meer en toen deze niet eene bende jonge edelen tegen hen

Sluiten