Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan de koningen zelf allen patriciërs? Numa Pompilius was niet eens een Romein, hij kwam uit het land der Sabijnen; Lueius Tarquinius was een zoon van den Corinthiër Demaratus, Servius Tullius de zoon eener slavin. Te dier lijde werd geen geslacht, dat door heldenmoed uitblonk, versmaad! daardoor juist breidde de Romeinsche staat zich uit en thans zou de benoeming van een plebejer tot consul u tegen de borst stuiten, terwijl uwe voorvaderen het niet beneden zich achtten, vreemdelingen tot koning te verkiezen! Het Claudische geslacht hebben wij onder de patriciërs opgenomen, een vreemdeling zou dus consul kunnen worden terwijl een geboren Romein, wanneer hij tot den burgerstand behoort, de hoop op het consulaat afgesneden moet worden? Maar, antwoordt gij, sedert de verdrijving van de koningen was er toch geen consul uit den burgerstand. Wat bewijst dit? Mag nooit iels nieuws ingevoerd worden? Moet iels. dat waarlijk nuttig is, nooit geschieden, omdat het nog nooit gebeurd is? Wie kan er aan twijfelen, dat in eene voor de eeuwigheid gebouwde, in het oneindige zich uitbreidende stad nieuwe staatsambten en nieuwe priesterlijke betrekkingen, nieuwe rechten der geslachten en der bijzondere personen ontslaan zullen? Kan er eene grooter vernedering uitgedacht worden, een deel der burgerij aangedaan, dan zoo gij bet, alsot het onrein was, onwaardig acht om zich door echtverbintenissen met de patriciërs te vermengen? Wanneer uw adeldom hierdoor bevlekt wordt — welken de meesten uwer als nakomelingen der Albanen en Sabijnen niet door afkomst en geboorte, maar door opneming onder de patres ontvangen hebben, — kunt gij dien adeldom dan niet rein bewaren door uwe zusters en dochters te verbieden, door een huwelijk met een burger uit den adelstand uit te treden, of door zelf geene dochter eens plebejers tot vrouw te nemen? Geen burgerman zou eene adellijke jonkvrouw geweld aandoen, zulke daden der wellust zijn alleen den adel eigen. Niemand uwer zou door een der onzen met geweld lot een huwelijk gedwongen worden, maar dit door eene wet te verbieden is een smaad voor de plebejers. Even goed zoudt gij kunnen bepalen, dat geen burgerman de nabuur van een edelman zijn, dat hij niet in dezelfde straat met hein loopen, aan denzelfden maaltijd met hem aanzitten, op dezelfde markt met hem staan mag. Zoo wij door huwelijksverbintenissen ons met u wenschen Ie verzwageren, het is alleen, dewijl wij door u als menschen, als uwe medeburgers wenschen beschouwd te worden. Wien eindelijk komt de hoogste macht toe, aan het Romeinsche volk of aan u? Het moet aan het Romeinsche volk vrijstaan, eene wet uit te vaardigen wanneer het dit goed vindt, en zoo roep ik dan u, o consuls, toe: voor uwe oorlogen wil de burgerstand u volgaarne zijne diensten leenen, wanneer gij, door toe te slaan, dat plebejers met patriciërs huwen, dezen staal eindelijk tot één ondeelbaar geheel maakt, wanneer gij de eereposten ook voor de burgers openstelt. Doch indien iemand zich hiertegen verzet, spreekt dan zoo veel gij wilt over oorlogen, niemand zal naar de wapenen grijpen, niemand zal strijden voor trotsche meesters, met wie bij noch als burger de eereposlen in den staat deelen, noch als mensch zich door een huwelijk verbinden mag."

De door Canulejus aangevoerde gronden waren zoo onwederlegbaar, dat de patriciërs hetzij goed-, hetzij kwaadschiks wel moesten toegeven, al konden zij ook niet besluiten alle eischen des volks in te willigen. Het verbod omtrent het sluiten van huwelijken werd opgeheven, doch in plaats van toe te staan, dat een der consuls uit de plebejers zoude gekozen worden, riepen zij eene nieuwe instelling in het leven. Er werd, namelijk, bepaald, dat er voortaan, in plaats van consuls, krijgstribunen met de macht van consuls bekleed *) — tribuni militum consulari poteslale — verkozen zouden worden en dat dil ambt ook voor plebejers zou openstaan.

*) Kortheidshalve noem ik deze mannen krijgstribunen. Daar het ambt in het jaar 366

Sluiten