Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij strekten integendeel om het Romeinsche volk kracht bij te zetten, daar zij het staatkundig leven wakker hielden en het volk daardoor voor verwijfdheid behoedden.

Zoolang vóór de tweede uitwijking naar den heiligen berg de adel en de burgerij met het zwaard in de vuist tegenover elkander stonden, kon de republiek niet tot macht en welvaart geraken. Doch toen de inwendige tweespalt verdwenen was en men alleen langs wettigen weg over de rechten der beide standen streed, ontwikkelde de staat een nieuw, veerkrachtig leven. Beide standen wedijverden inet elkaar om zich in den oorlog tegen buitenlandsche vijanden door dapperheid te onderscheiden.

Reeds de consuls Marcus Horatius en Lucius Valerius waren in staat om schitterende overwinningen op de Sabijnen , Volscen en Aequi te behalen en zoo zien we tegen het einde van de vijlde eeuw v. C. de Romeinsche macht over een aanzienlijk grondgebied uitgebreid. In het oosten strekte zij zich tot over het midden van het schiereiland, tot aan hel meer Fucinus, in het zuiden over liet grootste deel van Latium uit. Alleen in het noorden verhinderden de naburige oorlogszuchtige steden der Etruscen de verdere uitbreiding van Rome's macht, docli ook zij moesten eindelijk voor de dapperheid der Romeinen zwichten.

Hoogst belangrijk is de oorlog tegen de machtige stad Veji, waarvan de geschiedenis door de legende in groote male is opgesierd. Deze krijg had, met korte tusschenpoozen ten gevolge van een wapenstilstand, reeds vele jaren geduurd, toen de Romeinen eindelijk besloten, al hunne strijdkrachten aan te wenden om daaraan een eind te maken. Veji was omsloten door een hoogen ringmuur, die — naar men zegt — een omtrek van eeiie geographische mijl had. Door korte zomerveldtochten, waai toe men zich tol dusver bepaald had, kon zulk eene vesting niet veroverd worden; slechts door middel van eene regelmatige belegering, al moest die dan ook vele maanden duren, kon dit doel worden bereikt.

Tot dusver hadden de burgers zonder vergoeding in den krijg gediend, hetwelk bij den korten duur der veldtochten mogelijk geweest was. Doch wanneer de arme plebejers thans maanden lang onder de wapenen moesten blijven, behoorde de staat noodzakelijk voor hun onderhoud te zorgen; het verleenen van soldij aan hel voetvolk was daarvan hel onvermijdelijk gevolg, terwijl de rijke ridders ook in een langdurigen oorlog wel op eigen kosten de wapenen konden voeren.

De oorlog tegen Veji duurde, wanneer wij de overlevering mogen gelooven, tien jaren, van 405 tot 396 v. C. In den eersten tijd weifelde de krijgskans; de Romeinen leden meer dan ééne nederlaag, totdat eene voorspelling hen tot de uiterste krachtsinspanning aanvuurde.

In het jaar 398 bereikte de waterstand in het Albaansche meer zulk eene hoogte, dat het op het punt stond buiten zijne oevers te treden. Dit was in het oog der Romeinen een natuurwonder, hetwelk ongetwijfeld eene gewichtige beteekenis had, want zij meenden in elk verschijnsel der natuur eene waarschuwing der goden te moeten aanschouwen. Bij alle gelegenheden waren zij gewoon om hunne toevlucht te nemen tot de Etruscische wichelaars, doch dit was vanwege den oorlog thans onmogelijk. Groot was de bezorgdheid, hierdoor binnen Rome veroorzaakt, totdat men toevallig vernam, dat een Etruscische haruspex verklaard had, dat het lot van Veji van hel Albaansche meer afhing, dat de stad niet veroverd zou worden, voordat het water uil dit meer was afgeleid. De wichelaar, ten gevolge van eene koene list gevangen genomen, herhaalde zijne voorspelling. Hoe geloovig de Romeinen anders ook waren, thans twijfelden zij toch aan de woorden des Etruscers. Zij besloten, zich elders om raad te wenden, en ondervroegen den Delphischen god; de Pytliia bevestigde de woorden van den wichelaar. Wanneer het water van het meer langs verschillende kanalen uit het bekken wordt afgeleid — zoo

Sluiten