Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Po de veeteelt en bovenal liet fokken van zwijnen boven den landbouw verkozen. Dooi- eene onweerstaanbare neiging tot zwerftochten bezield, zonder dat zij bij machte waren om een welgeordenden staat te vormen, trokken de Galliërs roovend en plunderend van land tot land. Zij kenden geene andere orde dan de krijgstucht, alleen in den oorlog bewezen zij hunnen aanvoerders eene onbepaalde gehoorzaamheid.

In hel oog der Ilalfaansche volken waren de Galliërs reeds door hun uiterlijk geduchte vijanden. Terwijl de Romeinen en Grieken gewoon waren het hoofd en de bovenlip te scheren, droegen de Kelten lang, ruig hoofdhaar en lange snorbaarden. Zij hulden hunne reusachtige lichamen in bonte, bestikte kleederen; als sieraad droegen zij een breeden, gouden ring om den hals. Doch wanneer zij ten strijde togen wierpen zij hunne kleederen af en streden zij naakt zonder helm, alleen beschermd door een reusachtig schild. Hunne wapenen bestonden uit een lang zwaard, uil een dolk en eene lans, die alle rijkelijk met goud versierd waren

Volgens de legende, door Livius ons medegedeeld, had de oude koning Ambiatus twee groole krijgsbenden uit de gouw der Bilurigen afgezonden, de eene oost-, de andere zuidwaarts. De laatste beklom onder aanvoering van Bellovesus den kleinen St. Bernard en drong in het Po-dal door, waar zij de stad Mediolanum (Milaan) stichtte; hierop volgde een tweede stam, die Brixia Brescia) en Verona stichtte en thans trokken de Galliërs onafgebroken de Alpen óver naar bet schoone en vruchtbare land, om den Etruscen de ééne plaats na de andere te ontweldigen, totdat zij den geheelen linker Po-oever bezet hadden. Vervolgens drongen zij ook op den rechteroever steeds dieper en dieper door, zoodat de Etruscen en Umbriërs steeds verder teruggedrongen werden. Een Gallische stam, de Bojers, vestigde zich in de tegenwoordige Romagna; eindelijk kwamen ook de Senonen, een nieuwe groote Keltische stam, die zich aan de kusten der Adriatische zee van Riinini tot Ancona nederzette. Met al de vroeger behaalde voordeelen nog niet tevreden, drongen de Galliërs ook in het eigenlijke Etrurië door en bedreigden zij de Etruscisclie stad Clusium. De Clusiners achtten zich tegen den machtigen vijand niet opgewassen; zij smeekten, als eenige uitkomst in den nood.de Romeinen om hulp.

Het kwam den Romeinen bedenkelijk voor, den Clusiners een leger ter hulp te zenden. Zij wilden beproeven, ot zij niet door middel van onderhandelingen hun doel konden bereiken en zonden dus de drie zonen van den Pontifex Maximus Marcus Fabius Ambustus met de Clusiners naar het Gallische kamp, om de vreemdelingen in naam der Romeinen tot den aftocht te bewegen.

De Fabii droegen aan de in het Gallische kamp vereenigde hoofdelingen hunne boodschap voor. "Wij hooren, wel is waar, den naam der Romeinen voor het eerst," antwoordden hun de Galliërs, »doch wij gelooven dat zij dappere mannen zijn, daar de Clusiners in hun nood hulp bij hen gezocht hebben. Wij versmaden den aangeboden vrede niet; wanneer de Clusiners ons, die gebrek aan land hebben, een deel hunner overbodige landerijen afstaan, willen wij vrede sluiten, anders niet." Op de vraag der Romeinen, met welk recht toch de Galliërs land van de rechtmatige eigenaars begeerden en met geweld dreigden, ja wat zij eigenlijk in Etrurië te maken hadden, hernamen de barbaren fier, dat zij in hunne wapenen de bewijzen van hun recht bij zich droegen, dat de wereld aan dappere mannen toebehoorde.

Dewijl de Clusiners zich niet tot eenigen afstand van grondgebied lieten bewegen, kwam het tot een gevecht. De drie Romeinsche gezanten lieten zich door hun strijdlust meesleepen, om tegen alle volkenrecht in daaraan deel te nemen; een hunner doodde zelfs een aanzienlijk Gallisch bevelhebber. Nauwelijks zagen de Galliërs dit, of zij braken bet gevecht af en zonden onmiddellijk oen gezantschap naar Rome. om de uitlevering der mannen te eischen. die. daar zij als gezanten aan den strijd deel hadden genomen, op de schandelijkste wijze het volkenrecht geschonden hadden.

Sluiten