Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van hem vervreemd, de lagere volksklasse konden de patriciërs dan wel naar hunne hand zeiten. De dictator Aulus Cornelius Cossus beschouwde deze zaak als zoo belangrijk, dat hij een oorlog tegen de Volscen, waarin hij juist gewikkeld was, afbrak en naar Rome terugkeerde. Hij daagde Marcus Manlius voor zijn rechterstoel en beschuldigde hem, dat hij zich lasteringen tegen de patriciërs veroorloofd had. De aangeklaagde werd naar de gevangenis gevoerd.

Het volk was zoo ontmoedigd, dat het aan geen tegenstand dacht. Wel treurden de armen, wel trokken zij rouwkleederen aan, wel lieten zij haar en baard ordeloos groeien, wel verzamelden zij zich weeklagend voor de deuren der gevangenis, maar zij deden niets. Zou het volk op den duur rustig blijven? De senaat betwijfelde dit, hij vreesde eene uitbarsting der algemeene ontevredenheid te ongelegener tijd, want bij vernam, dut ouder hel voor de gevangenis verzamelde volk reeds meermalen stoutmoedige redenaars waren opgestaan, die de menigte aanspoorden om de deuren van den kerker met geweld open te breken en den vriend des volks te bevrijden. De senaat besloot daarom toe te geven en de gevangene werd ontslagen.

Door deze onverdiende gevangenschap werd de afkeer, welken Marcus Manlius jegens zijne adellijke standgenooten koesterde, nog meer versterkt. Wellicht dacht hij er thans werkelijk aan, in zijn voordeel van de volksgunst parlij te trekken; wellicht sprak hij zijne gezindheid thans meer onverholen dan vroeger uit, doch uit de berichten, die tot ons gekomen zijn, laat zich dit niet met zekerheid opmaken. Sommigen verhalen, dat Manlius met de hulp des volks het Capitool met gewapenden bezette. Livius daarentegen deelt alleen mede, dat Manlius toebereidselen tot een opstand gemaakt had, dat hij een voorraad van wapenen in zijn huis op hel Capitool bijeen had gebracht en daar nachtelijke bijeenkomsten met zijne partijgangers hield. Of echter ook dit verbaal niet aan overdrijving lijdt, of Marcus Manlius niet als het slachtoffer van den onredelijken haat der patriciërs gevallen is, mag voor het minst twijfelachtig heeten.

Volgens het vervolg van Livius' verhaal werd Manlius op het veld van Mars voor het gericht der centuriënvergadering gebracht. Fier trad hij voor zijne rechters. Terwijl bij wees naar het door hem geredde Capitool, verdedigde hij zich in wegsleepende taal en het volk had in het aangezicht van het Capitool den moed niet om den man te veroordeelen, die daar zulke groote dingen gedaan had.

Om deze reden werd in het Poetelinische woud eene tweede volksvergadering gehouden; waarschijnlijk was dit niet eene vergadering der centuriën, maar der curiën, d. i. eene vergadering des adels, welke zich hier wederrechtelijk tot rechter over den aangeklaagde opwierp.

Ditmaal verkreeg de senaat een vonnis gelijk hij het wenschte: Marcus Manlius werd ter dood veroordeeld. Op dezelfde plaats, waar hij door zijne heldendaad het Capitool gered bad, vond bij een vreeselijken dood; hij werd als schuldig aan hoogverraad van de Tarpejische rots geworpen.

Ook zijne nagedachtenis poogden zijne vijanden te schandvlekken. Zijn huis werd verwoest, terwijl zijne hoogadellijke bloedverwanten besloten, dal niemand uit hun geslacht voortaan meer den naam van den ter dood veroordeelden Marcus voeren zou.

In het jaar 384 was Marcus Manlius vermoord en het volk had den moord lijdelijk aangezien. Dit teeken van zwakheid maakte de patriciërs nog overmoediger en wreeder dan voorheen. De plebejers durfden geen weerstand bieden; hiervan was het gevolg dat de krijgstribunen bijna uitsluitend uit den boezem der patriciërs gekozen werden en ook op de keus der volkstribunen oefenden dezen zulk een invloed uit, dat in het collegie dezer plebejische beambten de meerderheid der leden zich steeds als gedienstige werktuigen van den hoogen adel gedroeg.

Nieuwe kracht ontving de beweging ten gunste der plebejers eerst weder in het jaar 376, door toedoen van twee flinke, aanzienlijke mannen. Gajus

Sluiten