Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

des volks twee partijen gevormd. De lijken en aanzienlijkste grondeigenaars, die uit oud-adellijke Lalijnsche familiën afstamden, maakten een plebejischen adel uit, die met niet minder trots op de groote massa des volks, op de handwerkslieden, de vrijgelatenen en hunne nakomelingen, neerzagen, dan de patriciërs zelf dit deden.

Voor het eigenlijke volk was hel eene tamelijk onverschillige zaak of het ambt van consul voor de plebejers toegankelijk werd gesteld of niet, de groote menigte begeerde maatschappelijke hervormingen, de voorstellen van Licinius, welke hierop betrekking hadden, werden door haar met blijdschap begroet, maar van het recht op het consulaat zouden de proletariërs gaarne afstand gedaan hebben, dewijl zij zich toch nooit tot die hoogte konden verheffen. Voor de aanzienlijke plebejers daarentegen was juist dat gedeelte der wetgeving, hetwelk de opheffing van de privilegiën der patriciërs betrof, van het hoogste belang, dewijl het voor hen eene bron van macht en aanzien ontsloot.

Op dit verschil van inzicht onder de plebejers bouwden de patriciërs hunne berekening en het gelukte hun werkelijk, gedurende eene reeks van jaren op deze wijze de aanneming van de wetsvoorstellen te vertragen. Zij wisten een deel der volkstribunen voor zich te winnen en dewijl dezen het indienen van de voorstellen in de volksvergaderingen verhinderden, konden die voordrachten niet worden aangenomen.

Door middel van eene omwenteling zouden Licinius en Sextus, steunende op de groote massa des volks, wellicht spoedig hun doel bereikt hebben, maar zij verachtten zulk een middel; langs wettigen weg alleen wilden zij zegevieren, maar van de wet trokken zij dan ook zooveel mogelijk partij. Vijf jaren achtereen beletten zij de benoeming van krijgstribunen en alleen wanneer eenig gevaar van buiten Rome bedreigde, lieten zij hun tegenstand varen, ten einde het welzijn van den staat niet in de waagschaal te stellen. Bij het volk trachtten zij geestdrift voor de nieuwe wetgeving op te wekken, en dit gehikte hun in zulk eene mate. dat zij niet alleen zelf jaarlijks opnieuw tot volkstribunen verkozen werden, maar dat ook het getal der tribunen, die zich door de patriciërs als werktuigen lieten gebruiken, jaarlijks inkromp.

In het jaar 308 waren zij eindelijk zoover gevorderd, dat alle tribunen voor de wetsvoorstellen stemden en dat deze dus aan de stemming der tribus onderworpen konden worden; het benoemen van een dictator was het eenige redmiddel, dal den adel nog overbleef.

De oude Camillus werd tol die waardigheid benoemd, doch ook hij was niet bij machte om tegenover den krachtig zich openbarenden wil des volks iets uit te richten. Hij legde zijn ambt neder, toen hij zag dat hij niet tegen den stroom oproeien kon. Een tweede diclator was evenmin in staat om het volk van zijne eischen te doen afzien.

Thans meenden de patriciërs een nieuw middel te moeten aangrijpen. Zij fluisterden aan de laagste volksklasse in, dat zij bereid waren om de beide belangrijke voorstellen van maatschappelijke strekking aan te nemen, wanneer het eerste verworpen werd. Ook deze list mislukte, want op aansporing der aanzienlijke plebejers vatten Licinius en Sextus alle drie de wetten in een enkel voorstel samen. Zij wilden, dat het volk ze alle drie gezamenlijk aannemen of verwerpen zou.

In het jaar 367 moest de senaat eindelijk besluiten, de wetsvoordrachten goed te keuren. Toch gaf de adel den strijd daartegen niet op: toen Lucius Sextus tot consul gekozen werd, weigerden in de comitia curiata de patriciërs hunne toestemming. Dit was eene onbewimpelde oorlogsverklaring; thans meenden de plebejers in hun recht te zijn, wanneer zij naar de wapenen grepen; de burgeroorlog scheen onvermijdelijk. De oude Camillus maakte zich jegens den staat hoogst verdienstelijk, door de eendracht te herstellen; hij, die anders een onbezweken voorvechter van de belangen des adels was, ried tot toegevendheid, opdat de staat in den ongelukkigen strijd der partijen niet onder zou gaan.

Sluiten