Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die tol dictator benoemd was, dezen ophand langs minnelijken weg te onderdrukken, maar de Romeinen verkozen toch, nadat de oorlog nog eenigen tijd geduurd had, in het jaar 341 een vrede te sluiten, waarby zij Capua behielden, terwijl de Samnieten de handen vrij kregen om den oorlog tegen de Sidiciners voort te zetten.

De Latijnen waren sinds lang de opperheerschappij der Romeinen moede. De machtige republiek beschouwde de Latijnsche steden niet meer als vrije bondgenooten, maar als onderdanen. Zulk eene verhouding kon niet langer voortduren; zelfstandig grepen de Latijnen naar de wapens om in vereeniging met de Sidiciners, de Canipaniërs, de Yolscen en Auruncers de Romeinen te bestrijden. Te gelijker tijd echter zonden zij een gezantschap naar Rome, om volle gelijkheid van rechten te eischen. Rome zou de hoofdstad van Latium blijven, docli de Latijnen zouden in den vereenigden staat het onbeperkte burgerrecht genieten en de eene helft van den senaat benevens een der consuls uit hun midden verkiezen.

Toen de Latijnsche gezant Lucius Annius deze eischen in den Romeinschen senaat uitsprak, gevoelden de Romeinen zich op de grievendste wijze in hun trots gekwetst. De consul Titus Manlius Torquatus sprong in den hevigsten toorn op, hij riep uit, dat, wanneer de senaat zich zulk eene vernedering liet welgevallen, hij dan eiken Latijn, dien hij in de curie aantrof, met eigen hand nederstooten zou.

De woorden van den dapperen consul misten hunne uitwerking op de senatoren niet. De eisch der Latijnen werd afgeslagen en de goden zelf openbaarden op dit besluit hunne goedkeuring, want Jupiter verkondigde in donder en storm zijn wil. Toen de gezant Annius het raadhuis verliet, viel hij van de trappen, zoodat hij dood of althans bewusteloos weggedragen moest worden.

In den aanvang van het jaar 340 was met het afslaan van den eisch der Latijnen de oorlog verklaard. Du twee uilstekendsle helden der Romeinen, Titus Manlius Torquatus en Publius Decius Mus, die als consuls aan het hoofd der republiek stonden, trokken met hun leger naar Campanië; hier, aan den voet van den Vesuvius, zou de eerste slag geleverd worden. De consuls ontveinsden zich al het hachelijke van den toestand niet. want niet alleen de Latijnen, maar ook de met hen verbonden Volscen, de Campaniërs, die het verbond met Rome moede waren geworden, en de Sidiciners stonden vijandig tegen de Romeinen over. De hoogste voorzichtigheid moest dus worden in aclit genomen en de consuls hadden daarom het bevel uitgevaardigd, dat geen Romein een afzonderlijk gevecht met den vijand mocht aangaan; zij vreesden namelijk, dat zij op die wijze vroeger dan hun wenschelijk toescheen tot het leveren van een slag zouden genoopt worden.

In weerwil van dit bevel liet de zoon des consuls, Manlius, zich toch verleiden om bij het doen van eene vei kenning het gebod zijns vaders te overtreden. Door een hem bekenden Latijn tot een tweegevecht uitgedaagd, doodde hij zijn vijand, keerde met de buitgemaakte wapenrusting en door zijne juichende krijgsmakkers begeleid in triumf naar de legerplaats terug en legde den behaalden buit in de veldheerstent aan de voeten van zijn vader neder. Streng en koud keerde Manlius Torquatus zijn zoon den rug toe en gaf terstond bevel dat het leger aan zou treden. «Dewijl gij, Titus Manlius", zoo sprak hij voor het front des legers zijn zoon toe, »noch het bevel der consuls gehoorzaamd, noch het gezag uws vaders geëerbiedigd en tegen ons verbod en buiten het gelid een gevecht met den vijand aangegaan hebt; dewijl gij de krijgstucht, welke tot heden de bron van Rome's overwicht in den strijd heeft uitgemaakt, geschonden en mij in de noodzakelijkheid gebracht hebt om óf den slaat óf mijne geliefden te verzaken, zoo zal ik u tot een treurig, maar voor het vervolg heilzaam voorbeeld stellen. Wel pleit mijne natuurlijke liefde tot mijne kinderen, wel pleit dit bewijs uwer dapperheid, die zich door het bedriegelijk droombeeld der eer begoochelen liet, in uw voordeel; doch dewijl

Sluiten