Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de lagere volksklasse gevoerd. I)e dictalor Quintus Horlensius wist een vergelijk tot stand Ie brengen, waarbij bepaald werd, dal de Publilische wetten weer in baar vorige kracht zonden hersteld worden.

De geschiedenis der Romeinsche staatsregeling was hiermede voorloopig geëindigd. Reeds bij eene oppervlakkige beschouwing valt het verschil in vorm tnsschen haar en de staatsregeling, die de patriciërs na de verdrijving der koningen aan de republiek gegeven hadden, in het oog; wat den eigenlijken inhoud betreft, was de verandering veel geringer, wanneer wij het verschil in stand tusschen de plebejers en patriciërs wegdenken en den adel als één geheel beschouwen.

Wij zien, dat nog altijd dezelfde geest van vroeger de Romeinsche wetgeving bezielt; het streven naar vooruitgang bad de betrekking, waarin hel individu tot don staat stond, niet opgeheven, de verkregen vrijheden golden niet het individu, maar de kaste, den stand, waartoe hij behoorde. Dit maakt het wezen uit van het verschil tusschen de ontwikkeling der vrijheid bij de Grieken en bij de Romeinen,

Terwijl in Griekenland en bovenal te Athene de onbeperkte vrijheid van eiken mensch in het bijzonder, in één woord de hoogste ontwikkeling der individualiteit gehuldigd werd, is dit beginsel aan de Romeinsche staatsinrichting geheel vreemd; te Rome is de burger niets dan een nauwelijks merkbaar deel van het groote geheel, de persoonlijke vrijheid is hier van zoo weinig beteekenis, dat patriciërs uit de voornaamste geslachten slechts in de vrijheden van den bevoorrechten stand deelen. Hoewel eenige uitstekende mannen door hun invloed op de ontwikkeling van een enkel tijdperk den stempel van hun eigenaardig karakter wisten te drukken, was niemand hunner in slaat zich tot de hoogte te verheffen, waarop Pericles en Alcibiades te Athene stonden.

Deed in de hoofdstad van Attica de dood van een Pericles het staatsgebouw op zijne grondslagen waggelen, liet overlijden van een Camillus ging onopgemerkt voorbij en een ander trad in de plaats van den gestorvene. Evenals de zoon slaats aan het gezag van zijn vader was onderworpen, — deze betrekking bleef, hoewel eenigszins verzacht, voortduren, — zoo was ook ieder burger, krachtens de wet, eene onbepaalde gehoorzaamheid aan den staat verschuldigd.

De overheidspersonen bezaten, binnen de grenzen van bun werkkring, eene onbeperkte macht. Hadden de koningen vroeger alle gezag in hun persoon vereenigd, thans berustte dit bij verschillende beambten van den staat.

Zoo waren de censoren de natuurlijke voogden van bet geheele volk. zoowel van de lagere volksklasse, als van de rijke plebejers en de aanzienlijke patriciërs; geheel naar willekeur spraken zij straffen uit over degenen, die in hun oog niet de wet, maar de voorschriften der zedenleer overtreden hadden; zoo werd in liet jaar 27'i Publius Cornelius Rufinus van de lijst der senatoren geschrapt, alléén omdat hij zilveren tafelgereedschap ter waarde van omstreeks 53,000 gulden bezat en daardoor inbreuk bad gemaakt op de voorvaderlijke eenvoudigheid van zeden; ook zij. die in het bebouwen van bun eigen grond nalatig waren, hadden de strengste straffen te duchten.

Niet minder willekeurig gingen de beambten der politie te werk; hunne uitspraken hadden een onbepaald gezag, dat niet beperkt werd door de persoonlijke rechten der burgers, maar alleen door den korten duur van de ambtsbediening der aedilen. Dit gebrek aan persoonlijke vrijheid is een eigenaardig kenmerk van het oude Rome. Het individu had slechts waarde als lid van den geheelen staat, de burger was er trotsch op, voor zijn vaderland te leven en het was hem eene eer, daaraan zijn leven ten offer te brengen. Geen tijdperk der geschiedenis was rijker aan voorbeelden van heldhaftige zelfopoffering ter wille van den staat dan het Romeinsche heldentijdvak.

De ontwikkeling der persoonlijke vrijheid was zelfs in de meest bewogen tijden van partijkamp uiterst gering. Zij bepaalde zich tot de verzachting van

Streckfuss. II. 14

Sluiten