Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weelde en een natuurlijk daarmee gepaard zedenbederf Rome binnen. In het heldentijdvak stelden de censoren alles in liet werk. om het volk vrij te houden van allen vreemden invloed; niet dit doel werden aan de politiewetten tal van nieuwe bepalingen toegevoegd. Alle maatregelen der censoren zouden nochtans vruchteloos gebleven zijn, wanneer de Romeinen een volk waren geweest, dat zich inet de borst op handel en nijverheid toelegde. Dit was echter het geval niet.

De landbouw was en bleef de hoofdbezigheid der Romeinen; vandaar, dat de grondeigenaars zoolang, in' liet uitsluitend bezit van hel stemrecht bleven; vandaar ook, dal zich binnen Rome zoo moeilijk een middelstand, uit handwerks- en kooplieden bestaande, kon vormen. Dit was ook wel gedeeltelijk daaraan te wijten, dat de ambachten en de kleinhandel voornamelijk door slaven en vrijgelatenen werden uitgeoefend.

Het gezamenlijke kapitaal was in handen van de groote adellijke grondbezitters, die zich natuurlijk ook van den groothandel hadden meester gemaakt. Zij hadden een groot aantal slaven in hun dienst, wier arbeid, voor zoover bij niet lot bebouwing van den akker diende, tot het verrichten van kleinere beroepsbezigheden werd gebruikt; zoo waren de slaven handwerkslieden en handelaars van hunne heeren, die echter al zeer spoedig begrepen, dat eene onderneming geene voordeelen kan afwerpen, wanneer de belangen van hem, die de zaak drijll, daarin niet betrokken zijn; hierom schonken zij hunnen slaven de vrijheid onder voorwaarde, dat hun een goed deel, dikwijls de helft van de winst zou uitgekeerd worden.

Hierdoor hielden zij de zaak altijd in handen, daar de koop- en handwerkslieden ook na hunne vrijlating geheel van hen afhankelijk bleven. Slechts weinige vrijgelatenen wisten zich door hunne talenten te verheffen en rijkdommen te verkrijgen, het meerendeel echter bleef altijd aan de groote kapitalisten slaafs onderworpen.

De Romeiusche handel was gedurende den heldentijd van weinig beteekenis, hetgeen daaruit blijkt, dat men eerst in het jaar 2(19 binnen Rome zilveren munten begon te slaan, terwijl men zich vóór dien tijd met eene koperen munt beholpen had. die de ruiling zeer belemmerde. De voornaamste zilveren munt was de denarius, die met omstreeks acht stuivers van onze munt gelijk stond, ofschoon men gewoonlijk rekende bij sestertiën, van welke er vier op een denarius gingen.

Geheel in overeenstemming met de eenvoudige leefwijze der Romeinen gedurende het heldentijdperk waren de geringe vorderingen, die de Romeinen in kunst en wetenschap maakten. Wij merkten reeds op, dat de stad, die in het bezit was van eene zoo groote macht, bijna het aanzien had van een dorp; ternauwernood waren er enkele groote en prachtige gebouwen te vinden. Eerst omstreeks het einde van het tijdperk, waarmede wij ons tot dusverre hebben bezig gehouden, begon zich eene Romeinsche architectuur te vormen, die zich door het bezigen van zware gewelven onderscheidde, ofschoon zij ook in het vervolg minder door oorspronkelijkheid en sierlijkheid, dan door stevigheid en reusachtige afmetingen uitblonk.

Zij hield zich bovenal bezig met het slichten van werken van algemeen nut; zoo verwierf zich Appius Claudius Caecus gedurende den tijd, dat bij het ambt van censor bekleedde, eene onsterfelijke verdienste door het leggen van een prachtigen kunstweg naar Capua, die naar hem den naam van Appischen weg kreeg, en door het aanleggen van een reusachtige waterleiding. De beeldhouw- en schilderkunst konden bij het zoo weinig dichterlijk gestemde volk niet lot een hoogen trap van bloei geraken. Er zijn dan ook slechts weinige van hare scheppingen voor ons bewaard; maar deze verloonen ons een edelen eenvoud, geheel overeenkomstig het karakter der Romeinen. Het belangrijkste beeld is eene bronzen wolvin, die nog heden het sieraad van het Capitool uitmaakt.

14*

Sluiten