Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene eigenaardige rechtbank van onderzoek, liet gericht der «honderd en vier", het voornaamste bolwerk der oligarchie.

De «honderd en vier" hadden het recht om zoowel de veldheeren, als de sutleten en de leden der geroesia na het neerleggen van hun ambt ter verantwoording te roepen; menigmaal gebeurde het, dal zij iemand op de wreedste wijze met den dood straften; de veldheer, die in den krijg ongelukkig geweest was en zijn leger verloren had, kon bijna met zekerheid op een doodvonnis rekenen. In deze vergadering der «honderd en vier" lag het zwaartepunt der geheele staatsmacht. Al hadden deze rechters, of liever, deze inquisitoren geene uitvoerende macht, de controle die zij uitoefenden, was zoo groot, dat alle overige Carthaagsche overheidspersonen hunne uitspraak eerbiedigden.

Er bestond te Carthago nog eene volksvergadering, die slechts een zeer geringen invloed had en alleen dan werd geraadpleegd, wanneer de geroesia het goedkeurde of wanneer hare leden het niet eens konden worden; wel werden de veldheeren in de volksvergadering benoemd, maar eerst, nadat de geroesia het over de keuze eens was, zoodat dit raadplegen van liet volk eigenlijk maar een vorm was.

Natuurlijk scheen het den rijken kooplieden en reeders, den gegoeden bezitters van plantages, die zich te Carthago van het bestuur hadden meester gemaakt, zeer gevaarlijk toe, de groote menigte een grooler invloed op hel staatsbestuur toe te staan; want deze bestond bijna uitsluitend uit de laagste klassen der maatschappij, uit saamgeraapt gespuis, matrozen, ontslagen huurlingen enz., daar een eigenlijke nijvere middelstand van handwerkslieden te Carthago ten eenenmale ontbrak; de talrijke slaven vervingen de handwerkslieden. Boeren waren er evenmin, want de veldarbeid werd op groote landhoeven aan slaven overgelaten. Men had grondbezitters, die er 20,000 in hun dienst hadden.

Dat Carthago het, in weerwil van het ontbreken van een middelstand, tot zulk eene hoogte kon brengen, werd veroorzaakt door den uiterst gunstigen financieelen toestand der stad; de schattingen der onderdanen waren zóo groot, dat zij met de inkomsten van de tollen, zelfs in de drukkendste oorlogstijden, toereikend waren 0111 alle uitgaven van den staat te dekken, zoodat het niet noodig was, den burgers eene belasting op te leggen Hieruit kan men tevens opmaken, hoe zwaar die schattingen op de onderdanen moesten drukken, daar het oorlog voeren voor Carthago, uithoofde van de huurtroepen, die men in dienst moest nemen, altijd eene hoogst kostbare zaak was.

De aanvoerders in het leger waren altijd voorname Carthagers, overigens treffen wij slechts nu en dan onder de lagere rangen dappere zonen der stad aan, bij voorbeeld bij de zoogenaamde heilige schaar. Dit behoorde echter tot de uitzonderingen, want de rijke kooplieden en reeders hadden liever hun geld dan hun bloed voor het vaderland veil en ook de Phoenicische koloniën, die hulp moesten verleenen, kochten lielst hunne verplichting met geld af, zoodat het gros van het Carthaagsche leger deels uit inwoners der onderworpen provinciën, deels uit huurlingen bestond.

De Lybiërs, wier recruten een goed voetvolk leverden, maakten de kern der Carthaagsche krijgsmacht uit; de lichte Numidische ruiterij was in hare soort zoo uitmuntend, dat zij door geen ander volk overtroffen werd.

Ook de onderworpen volken van de Spaansche kusten en eilanden leverden flinke soldaten; de slingeraars van de Balearische eilanden waren inzonderheid beroemd.

Al die manschappen moesten bezoldigd worden, hoewel niet zoo ruim als de in het buitenland aangeworven huurtroepen, waarmede de Carthagers in tijd van nood hun leger zoo sterk konden maken, als het hun goed dacht.

Door zulk een talrijk leger en eene voortreffelijke vloot hielden de Carthagers hunne uitgestrekte koloniën in bedwang; de voornaamste nederzetting in Spanje was Gades (Cadix), welke stad waarschijnlijk niet onmiddellijk onder

Sluiten