Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vereering uitgesproken; de Romeinen zagen zich van nu af tot de Islhmische spelen toegelaten, zelfs de eer om in de Eleusinische mysteriën ingewijd te worden viel hun te beurt. D J

In Macedonië waar te dier tijde Antigonus Doson regeerde, was het volk niet zoo sterk met de Romeinen ingenomen, het had niet. zooals de Grieken, van de zeeroovenj der llynërs te lijden gehad. Antigonus Doson zag wel in, dat Rome een ge\aarhjke nabuur zou worden, doch was voor het oogenblik s,aat le's hoegenaamd tegen de machtige republiek te ondernemen, j- chts in het geheim poogde hij met Rome s vijanden verbintenissen aan te knoopen; de trouwelooze Demetrius van Pharos, die evenals hij Teuta verraden had ook de Romeinen verried, was terstond bereid om een verbond met hem te sluiten Doch voor dat dit eenig gevolg kon hebben, stierf Antigonus Doson in het jaar 220 v. Clir. en zijn opvolger Philippus. die nog een knaap was kon niet verhinderen, dat de consul Lucius Aemilius Paulus Demetrius van Pharos m het jaar 211) aantastte en den ontrouwen voormaligen bondgenoot uit zijn rijk verdreef. °

Nog schitterender overwinningen dan aan de oostelijke kusten der Adriatische zee hadden de Romeinen intusschen op het Italiaansche vasteland op de Galliërs behaald. Onze lezers zullen zich berinneren, dat Roven-Italië door Gallische volksstammen bewoond werd. Deze hadden zich sedert de nederlaag, in het jaar 282 hun toegebracht, rustig gedragen; de Romeinsche wapenen waien in hun oog veel te geducht, dan «lat zij lust zouden gevoeld hebben om zich met hen 111 nieuwe gevechten in te laten. Thans echter was de herinnering der vroegere oorlogsrampen gaande weg uitgewischt, een nieuw geslacht was opgestaan en dit ontzag zich niet om op Gallische wijze weer rooftochten in de italiaansche gewesten te ondernemen.

In het jaar 237 riepen eenige Gallische vorsten hunne stamgenooten van gene zijde der Alpen naar Italië, om met hen de Romeinen te bestrijden, ten groot leger trok tegen Ariminum op. doch tot geluk voor de Romeinen geraakten de Galliërs onderling in twist; in plaats van de Romeinen te bevechten streden zij met elkaar. Zoo liep de tocht tegen Rome op niets uit en de Romeinsche legioenen, die reeds te velde getogen waren, konden naar huis terugkeeren. In bet jaar 232 stelde de volkstribuun Gajus Flaminius. eene wet voor, volgens welke een deel van het grondgebied, hetwelk in net jaar 282 den Galliërs ontnomen, tot dusver als staatseigendom beschouwd en weder aan de Galliërs zelf tot weiden voor hun vee verpacht was, onder de behoeftige Romeinsche burgers verdeeld zou worden. Het doel van Flaminius was, door dit voorstel de volkspartij te Rome te versterken en juist daarom was de senaat er tegen. Hevige twisten werden er over dit punt gevoerd de eigen vader des tribuuns was de heftigste tegenstander van zijn zoon, dien hij eens, uit kracht van zijne vaderlijke macht, van het redenaarsgestoelte en uit de volksvergadering wegvoerde. In weerwil hiervan bleef de voorsteller op zijn stuk staan; de voordracht werd in de Comitia tributa aangenomen, tot de verdeeling dier landerijen werd besloten.

De Galliërs zagen zich ernstig bedreigd; zij vreesden, dat Rome thans aan val lenderwqze tegen hen te werk gaan en ook andere Gallische landerijen lot kolonisatie voor de Romeinsche burgers gebruiken zou. De Rojers, die aan deze zijde van den 1'idus (Po) en de Insubriërs, die aan den anderen kant der rivier, in den omtrek van het tegenwoordige Milaan woonden, de twee machtigste Gallische stammen in Roven-Italië, verbonden zich met elkaar tot een oorlog tegen de Romeinen en riepen de ondersteuning van hunne

stamgenooten aan gene zijde der Alpen in. In het jaar 225 zonden deze

door den geschiedschrijver Polybius worden ze Gaesaten (lansknechten) "enoemd een leger naar Italië. In vereeniging met hen rukten de Rojers, Insubriërs en Tauriscen (een aan de zuidoostelijke helling der Alpen wonende volksstam) tegen Etrurië op. Een leger van 70,000 man, waarvan 50,000

Sluiten