Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gemaakt en zijne machl gebruikt om rooftochten tegen de staten van het Aehaelsch verbond te ondernemen. De avonturier greep met beide handen de gelegenheid tot het houden van nieuwe strooptochten aan, welke hem door het uitbreken van een oorlog aangeboden werd, en verbond zich daarom met de Romeinen. Aan dit verbond sloten zich ook de Thraciscbe en Illyrische volksstammen aan, die sinds onheugelijke tijden met de Macedoniërs in vijandschap leefden, terwijl ook koning Attalus van Pergamum zich daarbij voegde. Deze vorst hoopte gedurende den oorlog zich eene uitbreiding van grondgebied te verschaften en was slim genoeg om de waarde, welke een verbond met de Romeinen uit dit oogpunt voor hem hebben zou, juist te schatten.

Een felle krijg ontbrandde tegen Macedonië, dien we echter in alle bijzonderheden, welke voor de geschiedenis niet van belang zijn, niet kunnen volgen. Griekenland bood daarbij op nieuw van het noorden tot hel zuiden een tooneel van de treurigste verwoesting aan; roof en plundering deden de laatste sporen van de vroegere welvaart des lands verdwijnen.

Zelfs de Aetoliërs leden gedurende den oorlog zoo zeer, dat zij eindelijk het rooven en moorden moede werden.

Welke moeite Rome ook aanwendde om het sluiten van den vrede te verhinderen, in den winter van het jaar 206 op 205 v. C. kwam deze toch tot stand. De Romeinen moesten dit lijdelijk aanzien,, zij werden zelfs genoodzaakt om zeil met Philippus van Macedonië vrede te sluiten daar zij na het terugtreden der Aetoliërs den oorlog slechts met de uiterste krachtsinspanning hadden kunnen voeren. Zoo trad ook Philippus van Macedonië, die een goed bondgenoot voor Hannibal had kunnen zijn, van het oorlogstooneel af, zonder den Carthagers eenig voordeel, hoe ook genaamd, aangebracht te hebben.

Gunstiger keer dan op Sicilië en in Griekenland scheen de oorlog in Spanje gedurende korten tijd voor de Carthagers te nemen, ofschoon eerst, nadat ook daar de Scipo's eenige jaren achtereen zeer gelukkig gestreden hadden. In het jaar 214 drongen de Romeinsche wapenen onder de beide broeders Cnejus en Publius Cornelius Scipio zegevierend tot bijna aan de zuilen van Hercules door; zij breidden hunne macht in zuidelijk Spanje uit, ja Saguntum werd door hen herbouwd. Ook in Afrika verwekten zij den Carthagers een gevaarlijken vijand, naardien zij met den vorst Syphax (in het tegenwoordige Oran in Algiers) in het jaar 213 een verbond sloten; wel waren zij niet in staat den vorst hulptroepen tot den oorlog tegen Carthago te zenden, maar toch maakten zij hem tot een geducht bestrijder van de Carthaagsche macht, daar zij hem Romeinsche veldheeren toezonden en door hen zijn leger oefenden.

Zoo gevaarlijk werd de opstand van Syphax, dat Hasdrubal, de broeder van Hannibal, uit Spanje naar Afrika terugkeeren moest, om daar het opperbevel op zich te nemen. Eerst toen het den Carthagers gelukte, den mededinger van Syphax, den koning Gala (in het tegenwoordige Constantine) tot hunne zijde over te halen, waren zij in staat een einde te maken aan den krijg. Massinissa, de dappere zoon van koning Gala, versloeg Syphax en noodzaakte hem tot den vrede. Thans kon Hasdrubal met een nieuw leger naar Spanje terugkeeren (in het jaar 211) en hij tastte hier terstond de Scipio s met overmacht aan.

De beide veldheeren meenden den oorlog alleen te kunnen voortzetten, wanneer zij 20,000 Keltiberiërs in dienst namen, met wie zij tegen drie vijandelijke legers te strijden hadden. Zij wilden die afzonderlijk verslaan en besloten derhalve hunne macht te verdeelen. Hel was een noodlottig besluit; de Keltiberiërs, door Carthaagsch geld omgekocht, betoonden zich trouweloos, de Romeinsche legers werden geslagen, de beide Scipio's sneuvelden in het gevecht.

Het Romeinsche leger, van zijne veldheeren beroofd, verslagen en verstrooid, scheen een onvermijdelijken ondergang prijsgegeven. Alleen door het beleid van twee bekwame bevelhebbers werd een deel er van gered. Gajus Marcius, een voortreffelijk onderbevelhebber van Cnejus Scipio, verzamelde

Sluiten