is toegevoegd aan je favorieten.

De geschiedenis der wereld, aan het volk verhaald

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In het jaar 197 v. Chr. brak er in Spanje, in weerwil van de tegenwoordigheid des legers, een algemeene opstand uit. Slechts met de uiterste krachtsinspanning gelukte het den praetor Quintus Minucius en den consul Marcus Porcius Cato dien opstand te onderdrukken; eerst toen de bewoners der oproerige plaatsen als slaven verkocht waren, toen al de steden, van de Pyreneën tot aan den Guadalquivir. het bevel ontvingen om op één en denzelfden dag haar muren omver te halen, werd de kracht des volks gebroken. In weerwil hiervan hadden er in Spanje jaarlijks, nu hier, dan daar nieuwe oproeren plaats, waarbij de Romeinen meer dan eens het onderspit delfden.

Het zou ons te ver afvoeren, indien wij de verdere gevechten in Spanje hier uitvoeriger wilden vermelden. Alleen in zoo ver zijn ze van eenig belang. als zij de Romeinen noodzaakten orn in dat verwijderde land voortdurend een leger op de been te houden.

Van meer gewicht dan de oorlogen, welke de Romeinen in het westen en noorden lot instandhouding van hunne macht te voeren hadden, was de strijd, die spoedig na den met Carthago gesloten vrede in het oosten uitbrak, de oorlog met de Helleensche volken.

Rome had, gelijk onze lezers zich zullen herinneren, met Philippus van Macedonië vrede gesloten, om van den lastigen oorlog in het oosten ontslagen te worden, ten einde al de krachten der republiek tegen Carthago te kunnen aanwenden. Dat deze vrede duurzaam zou zijn, dachten noch de Romeinen, noch Philippus zelf; beide partijen waren overtuigd, dat vroeger o( later de oorlog opnieuw uitbreken zou. De Romeinen wachtten slechts op eene gunstige gelegenheid om den strijd te hervatten. Philippus trachtte van den vrede partij te trekken om zijne macht in Griekenland, aan de Thracische kusten en in Azië verder uit te breiden. In Griekenland had hij reeds gedurende den oorlog met de Romeinen door list en door geweld gepoogd, de eene stad na de andere aan zich te onderwerpen, zelfs zijn verbond met de Achaeërs had hem niet teruggehouden, dit ook in den Peloponnesus te doen; tegen den wil van Aratus was Messene door hem bezet. Toen Aratus' vriendschap voor de Macedoniërs ten gevolge hiervan verkoelde, had Philippus hem in het jaar 213 door vergif uit den weg laten ruimen, in de hoop, dat het Achaeïsch verbond, door dezen moord van zijn aanvoerder beroofd, zich geheel en al aan hem zou onderwerpen.

In deze verwachting zag Philippus zich echter bedrogen, want in de plaats van Aratus stond een ander man op, namelijk Philopoemen uit Megalopolis, die veel beter dan de eerste geschikt was om het Achaeïsch verbond tot een hoogen trap van macht op te voeren, daar hij groote bekwaamheid als staatsman met een schitterend veldheerstalent vereenigde.

Philopoemen was een der weinige Grieken in dien bedorven tijd, die nog een warm gevoel voor de grootheid van hun vaderland bezaten. Met eene zeldzame belangeloosheid kende hij slechts één doel van zijn streven, namelijk om Hellas weer tot zijnen vroegeren roem en luister te verheffen. Onder zijne leiding werd het Achaeïsch verbond weer doordrongen van het fier bewustzijn zijner onafhankelijkheid, hetwelk door zijne verbintenis met den Macedonischen koning verzwakt was.

Omtrent Philopoemen worden een groot aantal anecdoten verhaald die niet minder voor zijne bekwaamheid als veldheer als voor zijne belangeloosheid en voor den eenvoud zijner leefwijze getuigen. Toen hij eens te Megara kwam, wilde hij een goed vriend bezoeken, dien hij vooraf van zijne komst had onderricht. Toevallig was zijn vriend afwezig, toen Philopoemen het huis binnentrad. De vrouw des huizes hield den beroemden veldheer om zijne eenvoudige kleeding voor een vooruitgezonden dienaar, zij wilde zich haasten om den aangekondigden gast met een maaltijd te ontvangen en verzocht daarom den vreemdeling, haar in de keuken te helpen met hout hakken. Philopoemen deed dit bereidvaardig, zijn gastvriend trof hem te midden van