Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze bezigheid aan. Toen hij verschrikt naar de oorzaak van het voorgevallene vroeg, antwoordde Philopoemen lachend: »Ik draag slechts de schuld van mijn eenvoudig gewaad."

Zoodra Philopoemen zich aan liet hoofd van het Achaëisch verbond stelde. bewees hij. dat de Achaeërs ook wisten te overwinnen. De tyran Manachidas van Sparta werd in het jaar 207 door hem bij Mantinaea overwonnen en gedood. De Spartanen trokken echter hieruit geen voordeel, want in Manachidas' plaats maakte een andere woesteling, Nabis, zich van den troon meester; ondersteund door een bende huurlingen, die voor niets terugdeinsden, liet hij de rijke burgers plunderen en ter dood brengen; hunne goederen, vrouwenen dochters gaf hij over aan zijne soldaten, die meestal uit misdadigers en weggeloopen slaven bestonden. Geene wet werd van nu af in Sparta meer geëerbiedigd; moord en roof. door den koning en zijne huurlingen gepleegd, maakten de ongelukkige stad tot het tooneel der vreeselijkste misdaden, slechts dien burgers, welke hun heil in de vlucht zochten, gelukte het, aan den bloeddorst van" den tyran te ontkomen. Ten einde zijne heerschappij te bevestigen liet Nabis Sparta met sterke vestingwerken omringen; met de Achaeërs voerde hij een onafgebroken oorlog, die alleen door het veldheerstalent van Philopoemen voor den Achaelschen bond althans in zoover eene gunstige wending nam, dat Nabis in het jaar 202 uit Messene verdreven werd.

Philippus van Macedonië, die, nadat Philopoemen het Achaeïsch verbond met nieuw leven bezield had, de hoop op veroveringen in den Peloponnesus opgeven moest, was genoodzaakt zich met hel verkregeue te vreden te stellen; hij behield zijne bezettingen in eenige Peloponnesische steden, met name 'in Corinthe. In Middel-Griekenland waren Phocis, üoris, Locris, hel eiland Euboea en geheel Thessalië aan zijne macht onderworpen. Doch van meer belang nog dan Griekenland was in zijn oog het Oosten.

Aan de Thracische kust bezaten de Ptolemaeën van Egypte een groot aantal steden; deze aan de Egyptenaars te ontrukken scheen geene moeilijke zaak, want juist te dier tijde was Egypte van een krachtig regent verstoken. In het jaar 205 was koning Ptolemaeus IV, Plülopator, na eene roemlooze re"eerin[r «estorven en door een vijfjarigen knaap, zijn zoon Ptolemaeus V Epipbanes.0opgevolgd. Een knaap op den troon van een willekeurig geregeerd rijk, waar al de macht in den persoon des konings geconcentreerd was! Een kind meende Philippus spoedig voor zijn wil te kunnen doen buigen, hij besloot, Egypte den oorlog aan te doen, om zich van de Thracische steden meester te maken; dat hij geen greintje recht op die plaatsen bezat, was hem geene oorzaak van bekommering, bij had geen grond, niet eenmaal een voorwendsel tot den oorlog noodig. Met onbeschaamde openhartigheid sprak hij het beginsel uit, dat in de staatkunde alles geoorloofd is. »Wie den vader laat dooden, moet ook den zoon ombrengen;" — »een koning is aan geene belofte, aan geene wet gebonden;"— »de groote visschen verslinden de kleine," deze drie stellingen maakten den hoofdinhoud der zedeleer van Philippus van Macedonië uit, door die beginselen liet hij zich bij zijne handelingen besturen.

Om met des te minder krachtsinspanning en ongestoord die gedeelten van het Egyptische grondgebied, waarop hij een begeerig oog geslagen had, te overmeesteren, zocht Philippus een bondgenoot, dien hij weldra in koning Antiochus den Grooten van Syrië vond.

Antiochus III. later de Groote bijgenaamd, had in het jaar 222 v. Chr., den troon der Seleuciden bestegen, hij was toen slechts vijftien jaren oud (zie blz. 95). De jonge vorst, die een gelukkiger aanleg dan zijne voorgangers bezat, werd gedurende de eerste jaren zijner regeering geheel beheerscht door een onwaardig gunsteling, den Cariër Hermias. Reeds in het jaar 220 overwon hij in een grooten slag de oproerige satrapen van Syrië en Perzië; vervolgens ontsloeg hij zich van den overmoedigen Hermias door een moord.

Antiochus, die van eerzucht brandde, poogde den Egyptenaars Coelesyrie

Sluiten