Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en Phoenicië te ontrukken. In liet begin van den oorlog, die in het jaar 219 v. Clir. ontbrandde, kroonde de overwinning zijne wapenen doch in liet jaar 217 werd hij bij Raphia door Ptolemaeus Pliilopator zoo geheel vers agen. dat hij van alle veroveringen afzien en vrede sluiten moest. Hij wachtte ïntusschen slechts op een gunstiger tijdstip, om dan opnieuw zijn plan, de verovering van de Egyptische gewesten, ten uitvoer te leggen; voorloop.g het h.j E"vpte met rust en keerde hij zijne wapenen tegen zyn oom Achaeus, die zich in Klein-Azië lot koning opgeworpen had. en die nadat hij overwonnen was. in hel jaar 215 oP de wreedste wijze ter dood gebrach werd. Ook tegen de Parthen en het Bactrische rijk streed Antiochus met gelukkigen uitslag.

De dood van koning Ptolomaeus Pliilopator deed m den boezem van den Syrischen vorst de oude veroveringszucht met nieuwe kracht ontwaken. Antiochus, die met zijn gebeele hart de regeenngsbeginselen van Phihppus van Macedonië toegedaan was, nam bet aanbod om een verbond tot verdeeling van Egypte met Macedonië te sluiten volgaarne aan

Hem zou hel eigenlijke Egypte met het eiland Cyprus ten deel vallen, terwijl Philippus zich Cyrene benevens de Egyptische bezittingen in hlein-Azie, op de Cycladen en aan de Thracische kust voorbehield.

De oorlog werd zonder verdere aanleiding begonnen en door de beide koningen met kracht en beleid gevoerd. Reeds 111 liet begin van den onrechtvaardigen krijg behaalde de Macedoniër groote voordeelen, want de Egyptenaars, die ternauwernood in staat waren zich tegen Anliochus te verdedigen moesten hunne bezittingen in Klein-Azië, de Cycladen en de Thracische steden aan haar lol overlaten. In hetzelfde jaar, waarin de vrede tussdien Carthago en Rome gesloten werd, in het jaar 201 v Chr nam Plnl.ppus een aanta Thracische en Klein-Aziatisclie steden in, die zich deels zonder slag of sloot overgaven, deels door de Macedoniërs, met wie zich ook koning Prusias van Bithynië verbonden had, stormenderhand ingenomen en op de wreedste wijze

NeMVDeSt behm"n van alle Grieksche handelssteden werden door de eerzucht van Philippus0 van Macedonië ernstig bedreigd; dit zagen ook de machtige Rhodiërs in, die over eene talrijke viool en een sterk leger konden beschikken. De strateeg van Rhodus, Theophihscus, spoorde de burgers aan om geen werkelooze toeschouwers van den oorlog te blijven, die ook hen m gevaar bracht- zij moesten het niet lijdelijk aanzien, dat de Grieksche steden en eilanden één voor één de prooi van den hebzuchtigen vijand werden. Op zijne aansporing verklaarden de Rhodiërs aan koning Plu ippus den oorlog; zij verbonden zich met de welvarende en machtige stad Byzantium, ook Phihppus oude vijand, koning Attalus van Pergamum, trad tot het bondgenootschap toe

Zou Rome den oorlog, die van beide zijden met verbittering gevoerd werd rustig aanzien? Mocht de machtige republiek zich aan alle deelneming onttrekken, terwijl Philippus hare bondgenooten bestreed, de Egyptenaars, die in hachelijke tijden de Romeinen door het zenden van koren ondersteund hadden koning Attalus, die zich in den eersten Macedonischen oorlog zulk een tróuw bondgenoot had betoond? Van a(le zijden werden de Romeinen aangespoord om op het oorlogstooneel krachtig bande end op te treden; ook door de Grieken, vooral door de Atheners, werden zij hiertoe aangezocht. Te Athene hadden twee jeugdige Acarnaniërs zich bij de Eleusinische feesten door nieuwsgierigheid laten verleiden om die plechtigheden bij te wonen, zonder in de geheimnissen ingewijd te zijn; ze waren met de overige volksmenigte den tempel van Demeter binnengetreden. Hier echter verrieden zij zich door het doen van nieuwsgierige vragen. Ze werden op staanden voet gegrepen, voor de opzichters des tempels gevoerd en — dewijl op het indringen in de mysteriën bij de Atheners de doodstraf stond ter dood veroordeeld.

De Acarnaniërs, verbitterd over den dood der beide jongelingen, verbonden zich met Philippus tegen Athene. Een Acarnanisch leger, door Macedonische

Sluiten