Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gekomen ware. Hij was een beslist tegenstander der Scipo's en zelfs bij deze gelegenheid verklaarde bij uitdrukkelijk, dal bij ook in bet vervolg niet tot hunne aanhangers bebooren zon, maar dat bij liet niet kon, noch wilde dulden, dat een man in de gevangenis geworpen wenl, die zoovele vijandelijke legerhoolden gevangen bad genomen.

Door bet optreden van Tiberius Sempronius Gracchus was de rust weer hersteld; Lucius Scipio werd echter tot bet betalen van de geldboete gedwongen. Een zware slag trol hem in bet jaar 184. Marcus Porcius Cato, die toen censor was, schrapte zijn naam van de lijst der ridders.

Nadat de eerste aanval op de Seipio's met goed gevolg bekroond was, meenden- de vijanden van Publius Scipio, dat zij thans ook tegen dezen wel konden optreden; zij eischten in den senaat van hem, dat hij rekenschap van den op zijne veldtochten gemaakten buit aHeggen zou.

Deze eisch was volkomen billijk. Al bezat de opperbevelhebber ook, zoolang de veldtocht duurde, het recht om naar eigen goedvinden den buit te verdeelen en oorlogsschattingen op te leggen en te gebruiken, toch was hij verplicht om na bet neerleggen van zijn ambt rekenschap van deze zijne handelingen af te leggen. Hierdoor alleen kon het verduisteren van gelden worden voorkomen.

Ieder ander opperbevelhebber zou tot bewijs zijner onschuld bereid geweest zijn om aan het billijk verlangen der senatoren te voldoen; doch Publius Scipio was hiertoe ongezind. Hij achtte zich boven de wet verbeven. "Ü liet zijn aanteekeningboek wel balen, maar om bet voor de oogen der senatoren te verscheuren, terwijl bij met vermetelen Irots uitriep, dat bet eene onwaardige handeling was, hem, die 15,000 talenten in de schatkist deirepubliek bad doen vloeien, wegens 3000 talenten ter verantwoording te roepen. Zoo groot was de invloed van den beroemden veldheer, dat de senatoren zich zulk eene wetsverkrachting lieten welgevallen, dat-zij bet niet waagden, den overmoedige te straffen!

Wat de senaat niet durfde, ondernamen de volkstribunen. In bet jaar 184 werd Publius Scipio bij de comitia tributa, waarschijnlijk wegens verduistering van gelden, aangeklaagd. Deze aanklacht tegen den beroemden man verwekte te Home ongemeen opzien, onder alle standen des volks werd van niets anders gesproken en de meest verschillende meeningen werden geuit. Sommigen waren diep verontwaardigd. »De beide grootste steden van den aardbodem" zoo spraken zij, «hebben zich hoogst ondankbaar jegens hare uitstekendste burgers gedragen, doch Rome nog ondankbaarder dan Carthago. Daar is namelijk door de overwonnenen de verslagen veldheer naar het buitenland verbannen, terwijl het zegepralende Rome den overwinnaar Africanus versloot." Anderen daarentegen beweerden, dat het hooge standpunt, waarop eenig burger stond, hem niet kon ontslaan van de verplichting tot bet doen van eene wettige verantwoording; alleen dan was, maar hunne meening, de vrijheid op hechte grondslagen gevestigd, wanneer bet mogelijk was, ook de machtigsten aan te klagen. Hoe zou men ooit aan iemand de schatten van den staat kunnen toevertrouwen, wanneer bij geene rekenschap af te leggen had? Wie zich niet aan de voor allen gelijke wet wilde onderwerpen, had geen recht om zich over dwang, hem aangedaan, te beklagen.

Zoo redeneerde bet volk vóór en tegen, totdat de dag aanbrak, waarop de beschuldigde zich verantwoorden moest. Nog nooit was een Romein door zulk eene talrijke volksmenigte naar het forum vergezeld, als op dezen dag Scipio Africanus. Toen bij opgeroepen werd om zich te verdedigen, hield bij eene schitterende rede, waarin bij zich op zijne daden beriep; bij sprak met zoo veel nadruk, dat zelfs zijne zelfverheffing hem niet in een hatelijk daglicht plaatste. De volkstribunen bielden van hunne zijde de aanklacht vol; zij riepen alle misslagen, ooit door Scipio begaan, in het geheugen des volks terug en beschuldigden hem van verduistering van gelden, zonder daarvoor intusschen

22*

Sluiten