Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liefde voor het Grieksche vaderland woonde, werden dagelijks gunstiger jegens Macedonië gezind, ja, dit was in geheel het overige Hellas insgelijks het geval. Macedonië was geheel en al een Grieksche staat geworden. Hoe gehaat hij de Hellenen de koninklijke waardigheid ook was, zij zagen toch in, dat de schijnvrijheid, hun door de Romeinen verleend, nog minder waarde bezat. Zij allen kozen dus de partij van Perseus; de veile aristocraten daarentegen, die door de Romeinen in hunne heerschappij gesteund werden, waren overal Romeinschgezind. In den boezem van het Achaeisch verbond stond een zekere Callicrates aan hun hoofd. Toen deze in het jaar 179 door den Bond naar Rome gezonden werd om de hulp der Romeinen voor het eedgenootschap tegen de Lacedaemoniërs in te roepen, trad hij in den senaat openlijk als tegenstander van den Bond op; hij drong er op aan, dat de Romeinen krachtige maatregelen zouden nemen tegen die partij, welke de Grieksche vrijheid wilde handhaven, slechts de schuld der Romeinen is het, zoo sprak hij, wanneer de Grieken niet gehoorzaam zijn. •

In vereeniging met zijne partij spande Callicrates al zijne krachten in om het Achaeisch verbond van het bondgenootschap met Perseus terug te houden en dit gelukte hem. Daarentegen stak op meer dan eene plaats in Griekenland de Macedonische partij het hoofd op; ook in de Grieksch-Azialischesteden ontwaakte de Helleensche geest. Er werd in het geheim inet de gezanten van Perseus onderhandeld, terwijl de Aetoliërs en eenige Boeötische steden een openlijk verbond met Macedonië slolen.

Den Romeinen waren Perseus' krijgstoerustingen niet ontgaan. Zij wisten dat hij over een leger van 40,000 man en eene welgevulde schatkist kon beschikken en dat zijne macht dagelijks aangroeide, en zij hadden besloten, dit niet langer te dulden. Een voorwendsel tot den oorlog moest nog gevonden worden, het was hun derhalve niet onwelkom, toen koning Eumenes van Pergamum in het jaar 172 te Rome kwam en daar in den senaat eene vormelijke aanklacht tegen Perseus indiende. Op eene lijst had hij al zijne punten van beschuldiging opgeteekend; hij toonde aan, dat de Macedonische vorst met buitenlandsche mogendheden de meest vriendschappelijke betrekkingen had aangeknoopt, dat hij zich met eiken dag sterker tot den oorlog toerustte en gereed was om lot den aanval over te gaan. Buitendien voegde hij hieraan nog een aantal beschuldigingen van minder beteekenis toe, doch geenedaarvan kon als een voldoende grond voor het verklaren van den oorlog beschouwd worden.

In weerwil hiervan besloot de Romeinsche senaat tot den oorlog; de aanleiding hiertoe zag hij zich geschonken in de omstandigheid, dat Eumenes, die op zijne terugreis het orakel te Delphi wilde raadplegen, onderweg overvallen werd en slechts door een toeval den dood ontkwam. Van dezen moordaanslag gaf men. wellicht met recht, Perseus de schuld. Nog eene andere aanklacht werd tegen den koning ingebracht , die blijkbaar niets dan een sprookje was; men beweerde, namelijk, dat hij een Brundisiër, den gastvriend van vele aanzienlijke Bomeinen, omgekocht had om alle Romeinen, die bij hem hun intrek zouden nemen, door vergif uit den weg te ruimen.

Om zulke nietige redenen werd de aanval tegen Perseus terstond begonnen. Tevergeefs poogde een gezant van Macedonië, die te Rome vertoefde, de tegen zijn koning ingebrachte beschuldigingen te ontzenuwen; men weigerde hem gehoor en hij liet zich eindelijk de overijlde beluiging ontvallen, dat zijn koning wel ernstig den vrede wenschte, doch dat hij zich zou weten te verdedigen. wanneer de Romeinen volstrekt den oorlog wilden.

Hierdoor was de krijg onvermijdelijk: alleen voor den vorm werd nog een gezantschap naar Macedonië gezonden, welks eischen zóó buitensporig waren, dat Perseus die wel afwijzen moest. In den herfst van 172 werd de oorlog verklaard. Reeds stond een Romeinsch leger van aOOO man onder Cnejus Sicinius bij Apollonia.

In bange verwachting zagen de Grieken het uitbarsten van den krijg te

Sluiten