Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Groot was de opschudding, door dit alles teweeggebracht; de woede des volks brak het eerst los tegen de Spartanen, dewijl dezen immers tot bet besluit van den senaat aanleiding hadden gegeven. Alle Spartanen, die zich juist te Corinthe bevonden, werden gevangen genomen en gedeeltelijk ter dood gebracht; hel volk drong zelfs de woning der gezanten binnen, om hen, die derwaarts gevlucht waren, er uit Ie halen. Wel sloeg men de hand niet aan de gezanten zelf, maar (och moesten dezen harde woorden hooren.

Diep verontwaardigd keerden de gezanten huiswaarts, om hunne bezwaren bij den senaat in te brengen. Deze gedroeg zich buitengewoon zachtmoedig; waarschijnlijk kwam hel hem niet raadzaam voor, op dit tijdstip in Griekenland oorlog te voeren, De beide afgevaardigden, die in den herfst van 147 opnieuw naar het Achaeïsch verbond gezonden werden, voerden dan ook eene verzoenende taal, maar op de ontbinding van den Bond — en niets minder dan dit beteekende bel uittreden der belangrijkste steden — kwamen zij niet terug.

De hoofden der Achaeërs, Diaeüs en Critolaüs, die eerst in het jaar ljPi uit de Italiaansche gevangenschap teruggekeerd en met een gloeienden haal tegen de Romeinen bezield waren, wilden van geene verzoening meer weten. Zij spoorden het volk aan om den oorlog te verklaren, wel niet rechtstreeks aan Rome, maar aan Sparta en aan de afvallige stad Heraclaea aan denOeta; doch zij wisten zeer goed, dat hiermede de oorlog met Rome feitelijk ontbranden zou. De uitslag van deze dolzinnige onderneming was lichtelijk vooruit te zien, vele scherpzinnige Grieken voorspelden die dan ook. maar de verblinde volksleiders luisterden naar geen raad.

Critolaüs voerde als strateeg de Achaeïsche troepen, waaraan die van Thebe en van Chalcis op Euboea zich aangesloten hadden, legen Heraclaea aan. In Locris bij Scarphaea dwong Metellus de Achaeërs tot een slag; hij versloeg hen en vernietigde bijna hunne geheele krijgsmacht deels in het gevecht, deels op den terugtocht. Ook de strateeg Critolaüs vond — wij weten niet op welke wijze — den dood en werd door Diaeüs als veldheer opgevolgd.

Metellus zou gaarne den roem verworven hebben, dat hij den oorlogsnel en gelukkig ten einde had gebracht; binnen korten tijd moest bij de komst van den nieuw benoemden consul Lucius Mummius verwachten, bij betoonde zich derhalve zachtmoedig en deed vredesvoorstellen, opdat de oorlog voor de aankomst van zijn opvolger in bet consulaat ten einde gebracht zou zijn. Doch zijne bemoeiingen bleven vruchteloos.

Diaeüs, de meest verbitterde vijand der Romeinen, spande de laatste krachten van den Bond in, om een leger onder de wapenen te roepen; 12,000 in Griekenland geboren slaven werden in de gelederen ingelijfd, de rijken werden genoodzaakt om geldelijke bijdragen tot het bekostigen der krijgstoerustingen te leveren. De voorstanders van den vrede moesten zwijgen, de vrees sloot hun den mond, nadat Diaeüs eenige lastige tegensprekers had laten ter dood brengen.

Het Achaeïsche leger ontmoette bij Leucopetra, niet ver van Corinthe, de Romeinsche krijgsmacht, die door den consul Lucius Mummius aangevoerd werd. Diaeüs ging met eene aan waanzin grenzende vermetelheid een gevecht aan, ofschoon de Romeinen bijna tweemaal zoo sterk waren als hij. Hij werd dan ook totaal verslagen. Nog bad Diaeüs het overschot van zijn leger kunnen verzamelen, zich in het sterke Corinthe werpen en door eene dappere verdediging zoo voor zich zelf als voor de Achaeërs redelijke vredesvoorwaarden kunnen bedingen. Hij deed bet niet; na den ongelukkigen slag vluchtte hij naar Megalopolis, waar hij in wanhoop zichzelf vergiftigde, nadat hij vooraf zijne vrouw vermoord bad.

De Achaeïsche steden onderwierpen zich zonder den minsten tegenstand te bieden; ook Corinthe, de machtige door de voortreffelijkste vestingwerken versterkte stad, die vele maanden lang eene belegering had kunnen doorstaan, gal zich zonder slag of stoot over. Mummius had drie dagen getoefd, voordat hij de stad binnentrok, dewijl de lafheid der Corinthiërs hem onbegrijpelijk voorkwam; hij vreesde voor eene hinderlaag.

Stkeckivss. II, 24

Sluiten