Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

achtelijk; zij vergunden dus alleen aan Caepio, Viriathus door kleine aanvallen (ot het verbreken van het verdrag uit te tarten. Doch loen de consul niet ophield, den senaat met verzoeken en vertoogen te bestormen, werd het teeder geweten der Vaders eindelijk in slaap gesust: hij ontving de schandelijke vergunning om den oorlog te hernieuwen en drong terstond met zijn leger in Lusitanië binnen.

Viriathus was dwaas genoeg geweest oin te vertrouwen op het woord der Romeinen — had hij hunne trouweloosheid niet reeds bij den moord der 7000 ondervonden? — en na het sluiten van den vrede zijn leger af te danken. Hij geloofde niet aan eene vredebreuk. Toen Caepio thans eensklaps in Lusitanië doordrong, was hij dus niet ten strijde toegerust. Slechts door eene kleine krijgsbende omringd, hield hij den strijd vol, zonder den Romein intusschen het voorwaarts dringen te kunnen beletten; hij vermeed zóó lang het leveren van een belangrijk gevecht, totdat hij opnieuw de strijdkrachten des lands verzameld had. Toen bet zegevierende Romeinsche leger in het volgende jaar, 13!( v. Chr„ door nieuwen toevoer nog versterkt was, meende Viriathus dat hij in het belang van zijn land vrede moest sluiten. Hij verzocht er om en verklaarde zich bereid om zelfs harde voorwaarden aan te nemen. Caepio eischte, dat alle van het Romeinsche grondgebied naar Lusitanië overgeloopen krijgslieden uitgeleverd zouden worden. Met een bloedend hart stemde Viriathus daarin toe: zelfs zijn eigen schoonvader moest bij aan de Romeinen overleveren, dezen lieten de gevangenen deels ter dood brengen, deels hun de handen afhouwen. Thans echter stelden zij nieuwe eischen, den eenen al harder en ondragelijker dan den ander, totdat zij eindelijk verklaarden, dat zij den Lusitaniërs alleen vrede wilden schenken, wanneer dezen hunne wapenen overgaven.

Zulk eene voorwaarde kon Viriathus zich niet laten welgevallen. Hij vreesde, dat zijne soldaten, nadat zij ontwapend waren, weer nedergehouwen zouden worden, gelijk vroeger de 7000; hij hervatte dus den strijd. Helaas! de fortuin bad hem den rug toegewend. Zijne toegevendheid had vele zijner vroegere vrienden moedeloos gemaakt; deze drongen er thans op aan, dat hij nog eens vredesonderhandelingen met de Romeinen zou aanknoopen. Drie hunner, die tot dusver tot zijne vertrouwden behoord hadden, begaven zich met dat doel naar de Romeinsche legerplaats. Caepio ontving hen met verraderlijke vriendelijkheid, verklaarde dat alleen Viriathus de schuld van den bloedigen oorlog droeg en beloofde hun niet alleen volkomen vergiffenis, maar zelfs rijke geschenken, wanneer zij den gevaarlijksten vijand der Romeinen vermoordden; door geschenken, welke hij hun reeds vooraf ter hand stelde, bekrachtigde hij zijne belofte.

De drie Lusitaniërs lieten zich omkoopen; naar hunne legerplaats teruggekeerd. verzekerden zij hun koning, dat hunne zending met den gelukkigsten uitslag bekroond was, doch dienzelfden nacht drongen zij in zijne tent binnen en stieten den slapende hun dolk in het hart. Terstond na het bedrijven van de schandelijke daad vluchtten zij tot de Romeinen, om de beloofde schatten in ontvangst te nemen. Caepio verwees hen naar den Romeinschen senaat, van dezen zouden zij het hun beloofde ontvangen. De senaat echter bespotte de bedrogenen. Openlijk verklaarde hij, dat het recht was, bedriegers in bedrog te overtreffen.

Groot was de droefheid der Lusitaniërs, toen zij den dood van hun voortreflijken koning vernamen; zij bewezen hem de laatste eer door schitterende lijkplechtigheden te vieren en zetten daarop den strijd tegen de Romeinen voort. Daar hun echter een veldheer als Viriathus ontbrak, waren zij in weerwil van al hunne dapperheid niet meer in staat de overwinning te behalen: weldra werden zij naar hunne bergen teruggedreven, hunne benden verstrooiden zich, de Romeinen hadden van hen niets meer te duchten.

Een niet minder ernstige oorlog dan tegen de Lusitaniërs werd ook in

Sluiten