Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het noorden van Spanje, in hel tegenwoordige Oud-Castilië, door een dapperen Keltiberischen volksstam, de Arevakers gevoerd. De schitterende zegepralen van Virialhus hadden dezen in het jaar 144 v. Chr. bewogen om insgelijks tegen de Romeinsehe overheersching in opstand te komen. De consul Quintus Caecilius Metellus ontving derhalve bevel om hen tot onderwerping te brengen. Hij deed dit met gelukkigen uitslag; in den loop der beide jaren 143 en 142 slaagde hij er in. den opstand in geheel de noordelijke provincie te dempen; slechts twee steden, ïermantia en Numantia, boden den Romeinen nog tegenstand.

De burgers van Numantia weigerden hunne wapens uit te leveren, gelijk van hen gevorderd werd; de consul Quintus Pompejus voerde dus in het jaar 141 een sterk leger tegen de stad aan. Quintus Pompejus was een onervaren en ongelukkig legerhoofd, hij leed zulke geduchte nederlagen, dat hij eindelijk besloot, een in het oog der Romeinen schandelijken vrede aan te nemen. Hij zond den Numantijnen hunne gevangenen terug en vorderde eene geringe schatting, waarvoor hij hun de geheele vrijheid hunner stad toezegde. Toen echter in het jaar 131) Marcus Popilius Laenas in de legerplaats aankwam, om Pompejus als opperbevelhebber te vervangen, verklaarde de laatste, dat hij den Numantijnen niets beloofd had. In tegenwoordigheid zijner onderbevelhebbers, die getuigen van het sluiten van het vredesverdrag geweest waren, ontkende hij tegenover de gezanten der Numantijnen. dat er eenige overeenkomst bestond. Popilius Laenas meende, dat hij van deze zaken bericht naar Rome moest zenden; de senaat besloot den oorlog door te zetten onder voorgeven, dat hij aan de woorden van Pompejus geloof sloeg.

De strijd ontbrandde opnieuw. De Numantijnen streden met hunne gewone dapperheid en de Romeinsehe veldheer Laenas was niet in de gelegenheid om lauweren te plukken. Nog ongelukkiger vocht zijn opvolger Gajus Hostilius Mancinus in het jaar 137. die het geheel verwilderde, aan alle tucht ontwende Romeinsehe leger ternauwernood meer in het gevecht kon voeren. Het gelukte den Numantijnen, het leger hunner vijanden niet alleen te verslaan, maar het zoo geheel in te sluiten, dal Hostilius Mancinus alle hoop op redding moest opgeven. Hij wilde zijne 20,000 man niet nutteloos opofferen en zond daarom onderhandelaars naar den vijand. Doch deze antwoordde, dat de trouwloosheid der Romeinen hun te goed bekend was om hun woord langer te gelooven. dat zij, indien zij overgingen tot het sluiten van een verdrag, dit alleen doen wilden met Tiberius Sempronius Gracchus, die zich als quaestor bij liet leger bevond.

De Numantijnen kenden Gracchus als een eerlijk man, ze vertrouwden op zijn woord en sloten met hem een verdrag, waarbij hun toegestaan werd, voortaan vrij en onafhankelijk binnen hunne stad te leven. Op deze voorwaarde vergunden zij den Romeinen vrijen aftocht, zonder één der soldalen door spot of vernedering te krenken. De consul en alle Romeinsehe hoofdlieden bezwoeren het verdrag.

Toen de tijding van het gebeurde te Rome aankwam, was de senaat heftig vertoornd. Hij riep de burgerij bij elkaar en verklaarde, dat dit verdrag Rome niet minder tot schande verstrekte dan dat, hetwelk de Romeinsehe veldheeren eens in de Caudinische passen hadden gesloten; het was, volgens den senaat, de plicht van Rome's bevolking het voorbeeld der vaderen te volgen, de bekrachtiging van hel verdrag te weigeren en de verantwoordelijkheid op hen te laden, die het bezworen hadden. Dit besluit werd door het volk, dat alle gevoel van rechtvaardigheid verloren had, dan ook genomen; de consul Mancinus, die niet tot de aanzienlijkste familiën der stad behoorde, werd opgeofïerd.

Gelijk van zelf spreekt, hadden ook de overige hoofdlieden, die evenals de consul en Gracchus het verdrag bezworen hadden, er voor moeten boeten; doch zij werden beschermd door de gunst, waarin Gracchus bij het volk stond. Mancinus werd, van zijn ambts-insigniën ontdaan, tot de Numantijnen gevoerd

Sluiten